Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen voor hun twee kinderen. De vrouw verzocht verhoging van de alimentatie, terwijl de man een lagere bijdrage wilde. De rechtbank stelde de alimentatie vast op €324 per maand, en het hof bekrachtigde dit, waarbij het uitging van forfaitaire woonlasten van 30% van het netto besteedbaar inkomen van de man.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof ten onrechte niet had onderzocht of rekening kon worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man, die aanzienlijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag. De Hoge Raad overweegt dat het forfaitaire woonlastenbedrag een aanbeveling is en niet dwingend, en dat de rechter bij aanwijzingen van aanmerkelijk lagere werkelijke woonlasten moet onderzoeken of dit leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof ’s-Hertogenbosch om te onderzoeken of de werkelijke woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn en of dit leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage. De overige klachten worden niet behandeld.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeslissing en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar werkelijke woonlasten en draagkracht.