ECLI:NL:HR:2020:1138

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
25 juni 2020
Zaaknummer
19/03406
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing partneralimentatie wegens rekenfout door Hoge Raad

Deze zaak betreft een geschil over partneralimentatie tussen de man en de vrouw na hun scheiding. De man verzocht de rechtbank om een eerdere alimentatieverplichting van €1.500 per maand te vernietigen of te wijzigen, maar dit verzoek werd afgewezen door de rechtbank en bekrachtigd door het hof.

Het hof had vastgesteld dat de aanvullende behoefte van de vrouw €1.871,70 bedroeg, gebaseerd op een huwelijksgerelateerde behoefte van €3.353,70 en een netto besteedbaar inkomen van €2.482 per maand. De man stelde dat het hof een rekenfout had gemaakt bij deze berekening.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad een kennelijke rekenfout had gemaakt: het verschil tussen €3.353,70 en €2.482 is €871,70 en niet €1.871,70. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Het incidentele cassatieberoep van de vrouw werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis wegens een rekenfout en verwijst de zaak voor verdere behandeling, het incidentele cassatieberoep wordt verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/03406
Datum26 juni 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak C/03/230186/FA RK 16-4881 van de rechtbank Limburg van 1 december 2017;
de beschikking in de zaak 200.234.771/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019 en verwijzing, en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Het gaat in dit geding, voor zover in cassatie van belang, om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
2.2
De man heeft de rechtbank verzocht, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, een eerdere uitspraak waarbij hem een partneralimentatie was opgelegd van € 1.500,-- per maand, te vernietigen, althans te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
2.3
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft overwogen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 3.353,70 bedraagt en haar netto besteedbaar inkomen in 2015 € 2.482,-- per maand, “zodat de vrouw in 2015 een aanvullende behoefte heeft van (€ 3.353,70 -/- € 2.482,- =) € 1.871,70.” (rov. 5.3-5.4)

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1
Onderdeel 2.1 van het middel klaagt, samengevat, dat het hof in rov. 5.4 een kennelijke rekenfout heeft gemaakt door de aanvullende behoefte te berekenen op € 1.871,70.
3.1.2
De klacht is gegrond. Het bedrag van € 3.353,70 minus het bedrag van € 2.482,-- komt uit op een bedrag van € 871,70 en dus niet op het door het hof berekende bedrag van € 1.871,70.
3.2
In het verlengde van onderdeel 2.1 slagen ook de onderdelen 2.1.1 en 2.1.2. De hierop voortbouwende klachten van de onderdelen 2.1.4 en 2.3 slagen gedeeltelijk (zie hiervoor de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.13 en 2.24).
3.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
26 juni 2020.