Conclusie
Nummer19/00487
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, omdat het hof ten aanzien van twee belangrijke onderdelen van de bewijsvoering in strijd met art. 359, derde lid, Sv heeft verzuimd om deze te doen steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Uit de bewijsvoering kan niet met voldoende mate van nauwkeurigheid worden afgeleid (a) waarop het hof baseert welke telefoon(nummer)s aan de verdachte kunnen worden toegeschreven en (b) wat de inhoud is geweest van de OVC-gesprekken die zijn gevoerd in de antiekzaak van de medeverdachte [betrokkene 1]. Ten aanzien van deze onderdelen van de bewijsvoering zou het hof zich hoofdzakelijk hebben verlaten op interpretaties en conclusies van verbalisanten.
Bewijsoverwegingen
[…]
2. Telefoongebruik verdachte en medeverdachten
A.1 Telefoongebruik verdachte en medeverdachten:
Daarnaast werden bij hem en zijn moeder meerdere encryptie kaarten aangetroffen, zie hiervoor de paragraaf gebruik PGP bij het verzenden van berichten. Uit de paragraaf gebruik blackberry’s, blijkt dat er onder andere gebruik werd gemaakt van een blackberry met een Amerikaanse simkaart (telefoonnummer [telefoonnummer 8]).
Uit een sms-bericht met het nummer [telefoonnummer 7] (in gebruik bij [verdachte]) d.d. 22-06-2014 te 18.07 uur bleek dat men bij het verzenden van berichten gebruik maakt van PGP.
CIOT gegevens, bijlage 3.
Processen-verbaal observatie, bijlage 7.
In dit proces-verbaal worden OVC-gesprekken in samenvattende vorm weergegeven en geïnterpreteerd. Het hof heeft de samenvattende inhoud van de hierna door de verbalisant opgesomde OVC-gesprekken gecontroleerd aan de hand van de tevens bij dit proces-verbaal bijgevoegde onderliggende stukken (volledige weergaven) van die gesprekken en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd. Het hof volstaat dan ook met de samenvattende weergave en interpretatie van de gesprekken met daarbij telkens de vermelding van de vindplaats van het onderliggende gesprek.
NJ2021/110, m.nt. Vellinga. In die zaak klaagde de steller van het middel namens de medeverdachte [betrokkene 7] in cassatie eveneens over de wijze waarop het hof de redengevende feiten en omstandigheden had weergegeven. In die zaak ging het om het bewijs van (gewoonte)witwassen. Het hof had voor het bewijs van verdachtes wetenschap dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren vrijwel uitsluitend een beroep gedaan op ‘OVC-gesprekken’. De redengevende inhoud van deze OVC-gesprekken was niet opgenomen in het arrest van het hof of een aanvulling daarop. Het hof citeerde louter uit een deel van het loopproces-verbaal, dat conclusies van verbalisanten bevatte en samenvattingen van de OVC-gesprekken waaruit de verbalisanten deze conclusies trokken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof “door op deze wijze het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] in de aanvulling met bewijsmiddelen op te nemen” een verklaring heeft gebruikt die voor het bewijs ontoelaatbare conclusies inhoudt. Dit behoeft, zo vervolgde de Hoge Raad, niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijvoorbeeld als de door het hof gemaakte gevolgtrekkingen overeenkomen met de in de verklaring getrokken conclusies. In de toen voorliggende zaak had het hof niet de wettige bewijsmiddelen opgenomen waaraan het de voor die gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden had ontleend. Evenmin had het hof met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden verwezen. De enkele vermelding dat het hof de inhoud van een relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] waarin de onderzoeksresultaten – waaronder ook de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] – zijn weergegeven, heeft gecontroleerd en dat het hof zich met de daarin verwoorde interpretaties en conclusies kan verenigen, is daarvoor niet voldoende. Het oordeel van het hof was daarom ontoereikend gemotiveerd. [3]
tweede middelbehelst de klacht dat het onder 5 bewezen verklaarde witwassen niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat die bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
* een Audi A8 (met kenteken [kenteken 1]) en
* een motorscooter (met kenteken [kenteken 4])
gebruik gemaakt,
geldbedragen, onder meer 56.000 euro en 120.000 euro en 100.000 euro en 100.000 euro en 95.200 euro en 50.000 euro en 120.000 euro en 95.000 euro voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat die voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”
6. Witwassen (feit 5)
De loods gelegen aan [a-straat 1] te Best is onderverdeeld in drie ruimtes: [a-straat 1], [a-straat 2] en [a-straat 3]. [a-straat 2] wordt verhuurd aan [H], gerund door [betrokkene 19], de zwager van verdachte. [betrokkene 19] heeft verklaard dat hij de ruimte heeft gehuurd op verzoek van verdachte die van plan zou zijn een bedrijf in decoratieartikelen te starten. [betrokkene 19] wist niks van de betalingen van de huur, dat regelde verdachte allemaal, zo verklaart hij. Op grond van de verklaringen van [betrokkene 19], [betrokkene 20] (de eigenaresse van de loods), haar zus [betrokkene 21] en [betrokkene 22] stelt het hof vast dat de huur van € 1.417,72 exclusief BTW per maand over de huurperiode van mei 2013 tot en met september 2014 contant is betaald door verdachte, in totaal tot een bedrag van € 23.905,54. De verdediging heeft erop gewezen dat betalingsoverzichten of andere informatie met betrekking tot de feitelijke betalingen ontbreken. Naar het oordeel van het hof staat dat echter niet aan een bewezenverklaring in de weg. Het ontbreken daarvan zal mede het gevolg zijn van het feit dat de betalingen contant geschiedden.
Uit de afschriften van de bankrekening van verdachte blijkt voorts dat hij op 3 september 2014 een bedrag van € 7.500,- van zijn ABN-Amro-rekening ([010]) heeft overgemaakt naar [betrokkene 23] t/a [I] voor - zo blijkt uit de opgenomen telecommunicatie - het boeken van een vakantievilla op Ibiza. Uit opgenomen telecommunicatie is voorts gebleken dat verdachte in de periode van 10 september 2014 tot en met 17 september 2014 op reis is gegaan naar Ibiza. Uit boekingsgegevens van Transavia blijkt dat verdachte van 10 september 2014 tot en met 17 september 2014 naar Ibiza is gereisd, samen met medeverdachte [betrokkene 1]. Door verdachte is op Eindhoven Airport nog een bedrag van € 762,- contant betaald voor de tickets.
Voor wat betreft de motorscooter blijkt uit de factuur van 9 mei 2014 dat deze is gekocht voor een bedrag van € 2.500,- contant op naam van [betrokkene 24], de vader van verdachte. Ook is de verzekering op naam van de vader van verdachte gezet. Uit de opgenomen telefoongesprekken en observaties blijkt echter dat het verdachte zelf is die gebruik ging maken en maakte van de motorscooter. De motorscooter is ook aangetroffen bij de woning van verdachte aan het [b-straat 1] te [plaats] op de actiedag op 23 september 2014.
Het hof is gelet hierop dan ook van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen en van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande de herkomst van voormelde geldbedragen.
Zowel bij de politie als ter zitting heeft verdachte echter geweigerd om vragen te beantwoorden. Hij heeft geen verklaring willen geven omtrent de herkomst van het geld en de goederen.
Dit met uitzondering van de apparatuur van [K]. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op dit onderdeel twee documenten overlegd: een factuur van [K] d.d. 31 januari 2014 tot een bedrag van € 3.864,95 inclusief BTW en een betalingsoverzicht van de Rabobank waaruit volgens de raadsman zou blijken dat de ouders van medeverdachte [betrokkene 9] de factuur van [K] hebben betaald. Met de rechtbank constateert het hof dat de overgelegde factuur nogal wat verschillen vertoont met de factuur van [K] zoals die van de winkel is verkregen door het onderzoeksteam. Op de overgelegde factuur ontbreekt een onderdeel van de aangekochte goederen, namelijk de soundbar hk bd 30 ter waarde van € 699,00. Het totaalbedrag op de overgelegde factuur (€ 3.864,95) verschilt dan ook met die op de factuur van de winkel (€ 4.563,95). De ouders van [betrokkene 9] zouden ook - blijkens het betalingsoverzicht van de Rabobank - een bedrag van € 3.864,95 hebben betaald. Dit is opvallend, te meer nu door verdachte niet is weersproken dat de soundbar hk bd30 was aangekocht, dan wel dat deze in zijn woning is aangetroffen en in beslag is genomen. Voorts staat op de factuur van de winkel vermeld 'refunt aktie' in een klein lettertype terwijl dezelfde vermelding staat op de overgelegde factuur maar dan in hoofdletters 'REFUNT AKTIE'. Ten slotte staat op de factuur van de winkel bij 'Voldaan' het volgende vermeld: 'voldaan m' terwijl op de ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde factuur staat vermeld bij 'Voldaan': 'VIA BANK'. De verdachte heeft over deze factuur noch over de aankoop een verklaring willen afleggen. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris is [betrokkene 25] gedeeltelijk op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring teruggekomen. Volgens [betrokkene 25] was de dagomzet gedeeltelijk gepind en gedeeltelijk contant betaald, waardoor niet meer te achterhalen was op welke wijze de televisie was betaald. Verschillen in de facturen verklaart hij doordat de soundbar later zou kunnen zijn bijgeschreven om het mogelijk te maken dat er een grotere 'refund'- actie op de televisie kon plaatsvinden. Voor het grote verschil in tijd tussen de factuurdatum en de leverdatum van de soundbar, bijna een halfjaar, zou hij als enige reden kunnen bedenken dat de soundbar eerder niet te leveren was.
Hoewel er aanwijzingen zijn dat de apparatuur en de vlakbeugel door verdachte contant zijn betaald met geld dat - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig was, acht het hof het bewijs daarvan onvoldoende overtuigend om tot een bewezenverklaring op dit punt te komen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het (medeplegen van) (gewoonte)witwassen van de apparatuur en de vlakbeugel.
Gelet op het hetgeen overigens hiervoor is overwogen, is het hof anders dan de verdediging van oordeel dat het niet anders kan dan dat de contante huurbetalingen voor de woning, de loodsruimte, de vakantievilla en de motorvoertuigen wel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en dat verdachte daarvan op de hoogte was.
FEIT 5 WITWASSEN
Beginsaldo € 1.024,00 Contante stortingen € 135.510,00
Bankopnamen € 22.140,00 Huur [b-straat 1] € 31.778,90
Opbrengst voertuigen €18.227,50 Huur [a-straat 2] € 23.905,54 Audi A8 € 19.000,00 […] banden € 980,00 Motorscooter € 2.600,00 Ibizareis € 762,00 GWK € 807,08
Opmerking hof: gezien de redactie van de tenlastelegging is de hierboven genoemde uitgave ‘AMAC € 1.648,95' in de verdere berekening buiten beschouwing gelaten.)
hof: (€ 41.391,50 - €219.805,47 =) €-178.413,97.”
derde middelis gericht tegen de afwijzende beslissingen van het hof op de verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van twee getuigen en twee getuigen/deskundigen. Ten aanzien van het verzoek tot het oproepen en horen als getuigen van [betrokkene 17] en [betrokkene 4] behelst het middel de klacht dat het hof zijn beslissing de verzoeken af te wijzen onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, althans zou het aan de toewijzende beslissing ten onrechte de voorwaarde hebben verbonden dat de getuigen bereid zouden zijn een verklaring af te leggen. De verzoeken tot het oproepen en horen als getuigen/deskundigen van [betrokkene 28] en [betrokkene 29] zou het hof hebben afgewezen aan de hand van een onjuiste maatstaf.
Het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 28] en [betrokkene 29] wordt afgewezen, nu het hof daartoe geen noodzaak ziet. Het hof acht zich, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, voldoende voorgelicht. Mocht er twijfel blijven bestaan over wat er wel of niet is vastgesteld, dan zal dat tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting aan de orde komen.
Het hof, gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman:
- beveelt dat de raadsheer-commissaris de volgende personen als getuige zal horen:
10. [betrokkene 17], gedetineerd in het Verenigd Koninkrijk en
Het vierde middel
vierde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, doordat het hof het verkorte arrest niet tijdig heeft aangevuld en het hof de stukken niet tijdig aan de Hoge Raad heeft ingezonden.