Conclusie
Inleiding
Het middel
De bestreden uitspraak
1. Procedure
toelaatbaarheidvan de uitlevering van de volgende feiten [1] :
ontoelaatbaarheidvan de uitlevering voor de volgende feiten:
Het juridisch kader
[…]
ingevoerdbij de Wet van 16 november 2005,
Stb. 2005/595 inzake de opheffing van de verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten (toen nog enkel de misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld) [6] en is wat betreft de categorie van feiten die niet verjaren
uitgebreidmet sub 2°, dat wil zeggen met de genoemde zedenmisdrijven, waaronder art. 245 Sr Pro, bij Wet van 15 november 2012,
Stb. 2012/572 in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring. [7]
Bespreking van het middel
naar huidig rechtop grond van art. 70, tweede lid, Sr niet verjaart (categorie 1) respectievelijk op grond van art. 70, eerste lid onder 4°, Sr verjaart in twintig jaren, tenzij de verjaring voordien wordt gestuit (categorie 2). Categorie 1 betreft hier, kort gezegd, het met personen die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren hebben bereikt plegen van ontuchtige handelingen, die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam begaan tussen juli 1981 en juli 1987. In cassatie wordt het oordeel van de rechtbank dat deze gedragingen vallen binnen het bereik van art. 245 Sr Pro niet bestreden.
huidigNederlands recht niet verjaart ingevolge art. 70, tweede lid aanhef en onder 2°, Sr.
Stb. 2005/595 leidde, [8] oordeelde de Hoge Raad in het arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998,
NJ2010/231, m.nt. Borgers dat in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Deze rechtspraak is ongewijzigd gebleven ook na de invoering van de hierboven genoemde Wet van 15 november 2012,
Stb.2012/572. [9] De rechtbank heeft onder ogen gezien dat een strafvervolging ter zake van feiten zoals in categorie 1 omschreven in Nederland tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou hebben geleid, omdat (stuiting van de vervolging buiten beschouwing latend) het recht tot strafvervolging ook voor die feiten al zou zijn verjaard op grond van de wet die te onzent gold ten tijde van het begaan van de feiten en die verjaring dan zou moeten worden geëerbiedigd. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan de toelaatbaarheid van de verzochte
uitleveringvoor die feiten, aangezien in dat verband de verjaring van het recht tot strafvordering moet worden beoordeeld naar de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek en zulks ook het geval is indien naar Nederlands recht het recht tot strafvordering op grond van de wet die gold ten tijde van het begaan van het feit door verjaring is vervallen.
NJ2008/595 waarin de Hoge Raad ten principale recht deed op een verzoek tot uitlevering van de autoriteiten van Kroatië. In die zaak overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang:
3.5.4. Ingevolge de art. 326 en Pro 70 Sr, zoals deze bepalingen thans luiden, is het recht tot strafvordering niet verjaard, zodat het verweer moet worden verworpen.”
onderhavigezaak weinig misverstand (meer) bestaan. Het feit waarvoor de uitlevering in die zaak werd gevraagd was begaan in de periode van 12 tot 26 juli 1995. [11] De rechtbank had art. 326 (inmiddels oud) Sr (oplichting) aangemerkt als het wetsartikel op grond waarvan het feit naar Nederlands recht strafbaar was. De raadsman van de opgeëiste persoon voerde bij op schrift gesteld pleidooi in het kader van de feitelijke behandeling door de Hoge Raad aan dat de in art. 326 (oud) Sr strafbaar gestelde oplichting tot 1 februari 2006 werd bedreigd met een maximale gevangenisstraf van drie jaren en dat daarom de verjaringstermijn op grond van art. 70, eerste lid, onder 2°, (oud) Sr zes jaren bedroeg. Die verjaringstermijn zou – behoudens uit de stukken niet blijkende stuitingshandelingen – zijn verstreken op 26 juli 2001, zodat de verjaring toen was voltooid. Evenals in de onderhavige zaak zag de verdediging onder ogen dat door een wetswijziging – toen: de verhoging van de op overtreding van art. 326 Sr Pro gestelde maximumstraf van drie naar vier jaren – meebracht dat het feit naar het gewijzigd recht op dat moment niet verjaard was. Onderkend werd in het op schrift gestelde pleidooi eveneens dat de rechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering moet uitgaan van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. De verdediging betoogde evenwel dat de stand van het Nederlandse recht ten tijde van het uitleveringsverzoek inhield dat oplichtingen zoals in de uitleveringszaak aan de orde, die in juli 1995 waren gepleegd en ten aanzien waarvan geen daden van vervolging de verjaring hadden gestuit, waren verjaard in juli 2001. De verdediging stelde zich aldus op het standpunt dat deel uitmaakte van de toen geldende stand van het Nederlandse recht aan de hand waarvan de verjaring moest worden beoordeeld, dat een eenmaal in 2001 voltooide verjaring niet met terugwerkende kracht opnieuw kon aanvangen of worden verlengd doordat met ingang van 1 februari 2006 een zwaardere straf op oplichting was gesteld.