Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Arbitration Institute(hierna: het Scheidsgerecht) verbonden aan de
Stockholm Chamber of Commerce. Het Scheidsgerecht heeft bij arbitrale vonnissen van 19 december 2013 en 17 januari 2014 de vorderingen van [verweerders] toegewezen en Kazachstan veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 497.685.101,- aan schadevergoeding.
National Fund of the Republic of Kazachstan(hierna: National Fund) en de vennootschap Samruk-Kazyna JSC (hierna: Samruk).
tijdigeen beroep erop heeft gedaan dat de arbiters hun opdracht hebben geschonden en indien het niet houden aan de opdracht
ernstigvan aard is. Volgens het hof gaat het hier om een wijziging van ondergeschikte aard en is het daarnaast zeer de vraag of partijen bij buitenlandse arbitrages rekening houden met dergelijke Nederlandse procesrechtelijke vereisten. Ook de invoering van art. 1074d Rv (nieuw) acht het hof niet van voldoende belang (rov. 2.6).
2.Bespreking van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Rosneft/Yukos Capital [5] geoordeeld dat tegen de verlening van een exequatur op grond van art. 1075 (oud) Rv geen rechtsmiddel openstaat. Art. 1062 lid Pro 4 (oud) Rv (thans art. 1062 lid 3 Rv Pro) bepaalt dat tegen de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis geen rechtsmiddel openstaat, anders dan vernietiging en herroeping (art. 1064 lid Pro 1 (oud) Rv, thans art. 1064 Rv Pro). Dat betekent dat tegen de exequaturverlening op zichzelf geen rechtsmiddel kan worden ingesteld, maar dat een vordering tot vernietiging of herroeping van het arbitrale vonnis zelf ook het reeds verleende exequatur treft. [6] Tegen de weigering van het verlof tot tenuitvoerlegging kan wel een rechtsmiddel worden ingesteld. Het gaat hier om een ‘asymmetrisch’ rechtsmiddelenverbod. [7] Dit rechtsmiddelenverbod gold als zodanig niet voor de verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging op grond van art. 1075 (oud en nieuw) Rv van in het buitenland gewezen arbitrale vonnissen die door het Verdrag van New York [8] worden bestreken. Art. 1075 (oud) Rv (thans art. 1075 lid 2 Rv Pro) verklaart immers art. 989 Rv Pro (hoger beroep) en 990 Rv (cassatie) van overeenkomstige toepassing. In de
Rosneft/Yukos Capital-beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit onderscheid tussen in Nederland en in het buitenland gewezen arbitrale vonnissen in strijd is met art. III Verdrag van New York. In art. III Verdrag van New York is bepaald dat de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen die onder het Verdrag vallen, niet mogen worden onderworpen aan voorwaarden die aanmerkelijk drukkender zijn dan die waaraan de erkenning en tenuitvoerlegging van binnenlandse vonnissen is onderworpen (hierna: het discriminatieverbod). Volgens de Hoge Raad zou de exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen aanmerkelijk zwaarder zijn, wanneer daarin ook de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie zou bestaan. [9] Tegen het verlenen van het verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis dat door het Verdrag van New York wordt bestreken, staan dus geen rechtsmiddelen open. Dit rechtsmiddelenverbod geldt ook voor de erkenning van een buitenlands vonnis [10] , maar kan (zoals elk rechtsmiddelenverbod) worden doorbroken in het geval dat zich één van de door de Hoge Raad aanvaarde doorbrekingsgronden voordoet [11] of wanneer sprake is van strijd met art. 6 EVRM Pro. Dat kan zich voordoen als geen mogelijkheid tot vernietiging van het arbitrale vonnis bestaat in het land waar het arbitrale vonnis is uitgesproken. [12] In dat geval kan strijd ontstaan met het beginsel van
equality of arms, doordat de mogelijkheden voor het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging zodanig verschillen van de mogelijkheden om dat verlof tegen te houden dat er sprake is van substantiële benadeling van de ene partij ten opzichte van de andere partij.
Rosneft/Yukos Capitalziet slechts op exequatur
verlening, omdat ook art. 1062 lid Pro 4 (oud) Rv slechts daarop betrekking heeft. Dat doet de vraag rijzen wat de reikwijdte is van art. 1062 lid Pro 4 (oud) Rv (thans art. 1062 lid 3 Rv Pro). Over die bepaling valt in de parlementaire geschiedenis het volgende te lezen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat één klacht die is gericht tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof in rov. 2.1 t/m 2.7 van de tussenbeschikking.
Onderdeel 2bevat een klacht die voortbouwt op onderdeel 1.
onderdeel 1slaagt. Niet het hof, maar de voorzieningenrechter was in dit geval bevoegd, nu vaststaat dat de arbitrale vonnissen dateren van 19 december 2013 en 17 januari 2014, zodat ten aanzien van de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland het vóór 1 januari 2015 geldende recht van toepassing is.