Conclusie
(hierna: [eiseres] )
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel
2. G.J. Koers q.q.
(tezamen hierna: de curatoren)
advocaten: mrs. J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland
gedeeltevan de huurboedelschuld aan verhuurder [eiseres] , nu de omvang van de boedel op dat moment geen integrale betaling van de boedelschuld toeliet maar mogelijk wel ruimte bood voor gedeeltelijke voldoening. De tweede vraag is of – aangenomen dat over de niet tijdig betaalde huurtermijnen (de huurboedelschuld) vertragingsrente is verschuldigd – die vertragingsrente zelf ook een boedelschuld oplevert. Deze vraag moet naar mijn mening bevestigend worden beantwoord.
1.Feiten
“Zoals in mijn antwoordbrief van 26 augustus jl. reeds aangegeven, noteerde ik de vorderingen ad € 317.108,02,- en € 266.726,37,- op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren.
In dit stadium kan ik nog niet aangeven of een uitkering aan crediteuren kan plaatsvinden.”
“België
Zoals hierboven in de inleiding al is aangegeven en uitvoerig is toegelicht in het vorige verslag heeft mr. P. Trip namens curatoren alle Belgische werknemers geïnformeerd over de erkenning en kwalificatie van de door die werknemers ingediende vorderingen. Curatoren hebben het standpunt ingenomen dat het meest substantiële deel van de ingediende vorderingen, de zgn. ‘verbrekingsvergoeding’ (deels) als niet verifieerbaar beschouwd moet worden (in totaal ca. € 2,2 mio op een vordering van in totaal van € 3,9 mio). Naar aanleiding daarvan heeft een (relatief) beperkt aantal werknemers gereageerd. Vrij recent is ook een reactie binnengekomen namens de vakvereniging van handelsvertegenwoordigers. Zij hebben nog een aantal vragen gesteld. Ook het FSO heeft gereageerd en verzocht om een toelichting op de vermelde bedragen. Een groot deel van de vordering die het FSO heeft ingediend (uit hoofde van door haar overgenomen loondoorbetalingsverplichtingen richting de werknemers) is door curatoren als niet verifieerbaar gekwalificeerd, zodat zij belang heeft bij een toelichting daarop. In de komende verslagperiode zal een bijeenkomst worden georganiseerd voor het FSO en de werknemersvertegenwoordiging waarin nog een nadere toelichting zal worden gegeven en vragen beantwoord kunnen worden. De curatoren verwachten in de komende periode ook ten aanzien van deze vorderingen het passief in der minne ‘definitief’ te kunnen vaststellen.”
“Aangezien gelet op de staat van baten en lasten mogelijkerwijs op enig moment een uitkering aan (preferente) faillissementscrediteuren zou kunnen worden gedaan, hebben curatoren in overleg met de rechter-commissaris ervoor gekozen om ter voorbereiding op een nader te bepalen verificatievergadering te komen tot een volledige inventarisatie en beoordeling van het aangemelde concurrente passief.”
“Aanspraken werknemers België (totaal) € 3.892,988,-
(…)”
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
activaplaats, in die zin dat zij aan de macht van de schuldenaar en die van de individuele schuldeisers worden onttrokken. In de tweede plaats worden de
passivagefixeerd. Dat impliceert dat alleen vorderingen die op de datum van het faillissement reeds bestonden, kunnen worden verhaald op het vermogen van de failliet (de boedel). Daarbij is de datum van het faillissement ook beslissend voor de tussen de schuldeisers geldende rangorde. Als gevolg van het faillissement kunnen schuldeisers in beginsel niet langer op individuele basis beslag leggen of executiemaatregelen treffen. Zij moeten hun faillissementsvordering ter verificatie indienen bij de curator (art. 26 Fw Pro), die het algemeen faillissementsbeslag op het vermogen van de gefailleerde ten behoeve van de schuldeisers afwikkelt. [7]
doorhet faillissement of
nahet faillissement ontstaan in beginsel niet voor verificatie in aanmerking komen. Dergelijke vorderingen bestonden immers nog niet op de aanvangsdatum van het faillissement. Voor dergelijke ‘post-faillissementsvorderingen’ kan in beginsel geen verhaal op de boedel worden genomen. [8] Op deze hoofdregel bestaan echter twee uitzonderingen.
die schulden, welke eene onmiddellijke aanspraak op den boedel geven, welke, als komende ten laste van den curator in zijne qualiteit, door deze onmiddellijk uit den boedel moeten worden voldaan, zonder dat daarvoor verificatie noodig is (…)’. [11]
[…] /Tideman q.q.is de Hoge Raad teruggekomen van de door hem aangehouden ruime formulering van boedelschulden. De Hoge Raad overweegt dat boedelschulden in de zin van de Faillissementswet: [15]
Van der Maas q.q./Heineken. [17] In die huurverhouding geldt nog steeds de gefailleerde – en niet de boedel – als huurder.
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
ten minsteaanspraak kan maken op een gedeeltelijke toewijzing van de boedelschuld, namelijk voor dat gedeelte waarvan vaststaat dat het (bij het opmaken van de slotuitdelingslijst) ten minste aan haar zou worden uitgekeerd. Volgens [eiseres] had het hof dan ook moeten vaststellen welk gedeelte van de huurboedelschuld wél voor toewijzing in aanmerking zou komen en had het hof dat gedeelte moeten toewijzen.
De Ranitz q.q./Ontvanger: [23]
Beatrixziekenhuis/Procall: [24]
Beatrixziekenhuis/Procallonderschrijft de Hoge Raad deze opvatting van Verkade.
de curator kan overzien dat voor integrale afdoening ruimte is’. Dat klinkt wat vrijblijvend. Van Zanten schrijft dan ook dat in een voorkomend geval op zijn minst van de curator kan worden verlangd dat hij aantoont dat op dat moment – objectief beschouwd – onzeker is of uiteindelijk van een toereikende boedel sprake zal zijn. [25]
CZ/Scholtes q.q.is geoordeeld dat indien vaststaat dat de boedel onvoldoende actief heeft om een boedelvordering te voldoen, dat een grond oplevert voor afwijzing van die vordering, omdat bij de verdeling van het actief geen vorderingen kunnen worden voldaan waarvoor de boedel niet de middelen heeft. Hiervoor is beslissend, zo overweegt de Hoge Raad, de toestand van de boedel op het tijdstip dat de slotuitdeling plaatsvindt. [26] Dat betekende dat het hof in die zaak niet kon volstaan met een beoordeling van de vraag of de omvang van de boedel
op dat momentuitkering toeliet. Het hof had ook de subsidiaire vordering van CZ moeten beoordelen, die strekte tot betaling voor het geval
op het tijdstip van de slotuitdelingwel voldoende middelen beschikbaar zouden zijn om haar vordering uit te voldoen.
CZ/Scholtes q.q. wordt gelezen in samenhang met het arrest
Beatrixziekenhuis/Procall, volgt daaruit dat een boedelschuldeiser aanspraak kan maken op de onmiddellijke voldoening van zijn boedelschuld
voor het gedeelte(naar rato) waarvoor de boedel (naar verwachting) ruimte heeft op het tijdstip van de slotuitdeling. De curator kan dus niet verplicht worden om een boedelschuld steeds integraal en onmiddellijk te voldoen, maar is wel gehouden om de boedelschulden
zo veel mogelijkte voldoen. [28]
dat [eiseres] de afwijzing door de rechtbank van haar betalingsvordering bestrijdt met de stelling dat voor de toewijsbaarheid daarvan maatgevend is of vaststaat dat voor integrale voldoening van de boedelschulden (van een zelfde rang) afdoende ruimte in de boedel aanwezig is, en dat in het onderhavige geval aan dat criterium is voldaan, is juist: dit is wat zij bij grief I (en in eerste aanleg) heeft aangevoerd. Gevorderd is ook slechts (op dit punt) dat de curatoren worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 584.439,39, dus de gehele boedelhuurschuld.
onmiddellijke en integralevan haar gehele boedelhuurschuld toeliet, behoefde het hof naar mijn mening in de vorderingen van [eiseres] niet te lezen dat zij – zo die stelling niet op zou gaan – subsidiair een (naar rato) toewijzing van een gedeelte van de boedelhuurschuld wenste. Daarbij is van belang dat het debat in feitelijke instanties uitsluitend is gegaan over de vraag of
onmiddellijke en integralevoldoening van de boedelhuurschuld – gelet op de toestand van de boedel – mogelijk was, en dat de curatoren ook (uitsluitend) langs die lijn verweer hebben gevoerd. Om de vordering te lezen op de thans door [eiseres] verdedigde manier, had dus hoe dan ook heropening van het processuele debat moeten plaatsvinden.
“Vast staat dat de huur over de boedelperiode door wetsduiding een boedelschuld vormt van de eerste categorie: artikel 39 Fw Pro. Dit geldt niet voor de boete of rente die verschuldigd wordt in geval van niet-nakoming van deze huurschuld. Artikel 39 Fw Pro bepaalt dit niet en het vloeit er ook niet logisch uit voort. Evident is dat deze verplichting, als zodanig, evenmin kwalificeert als boedelschuld van de tweede categorie. Voor de vraag of een dergelijke verplichting op enig moment kwalificeert als boedelschuld van de derde categorie, dient naar het oordeel van het hof de toestand van de boedel mede in aanmerking te worden genomen. Levert financieel onvermogen normaliter geen grond voor overmacht of niet toerekenbare vertraging op ter zake van een verbintenis tot betaling van een geldsom, er is reden om hierover anders te oordelen in het geval van de verbintenis van de faillissementscurator om een boedelschuld (als de onderhavige, dat wil zeggen de huur over de boedelperiode) te voldoen. In zijn hoedanigheid heeft een faillissementscurator immers per definitie slechts de beschikking over de boedel als het (onder algeheel beslag liggende) aansprakelijk vermogen van de gefailleerde. De curator moet het dus doen met de boedel zoals hij deze (evt. na reconstructie) aantreft. Dit maakt dat het in beginsel niet aan zijn schuld is te wijten als dit vermogen ontoereikend blijkt te zijn om boedelschulden als de onderhavige (geheel) te voldoen. Evenmin kan gezegd worden dat de niet-nakoming van dergelijke (niet-categorie ii) boedelschulden in dat geval krachtens de wet, een rechtshandeling (van de curator in hoedanigheid) of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (artikel 6:75 BW Pro). Dit betekent dat voor zover de curator de betreffende schuld, exclusief rente, niet met inachtneming van de wettelijke rangorde uit de boedel kan voldoen, hij in zijn hoedanigheid niet in verzuim komt te verkeren en daarom in zoverre ook geen rente als boedelschuld verschuldigd wordt. Hetzelfde geldt - naar analogie van artikel 6:37 BW Pro - in beginsel zolang voor hem onzeker is of hij de schuld aldus kan voldoen. Dit betekent in het onderhavige geding dat de gevorderde verklaring voor recht, die tot uitgangspunt neemt dat de rente zonder meer als boedelschuld kwalificeert vanaf de vervaldatum van de betreffende factuur, dient te worden afgewezen. (…)
De curatoren zijn om deze redenen nog niet in verzuim of in een situatie waarin de vertraging aan hen kan worden toegerekend komen te verkeren,. Om die reden zijn zij nog geen rente als boedelschuld verschuldigd. Aan de vraag welk renteregime van toepassing is op de renteboedelschuld die mocht ontstaan in het geval dat de curatoren wel in verzuim mochten komen te verkeren, wordt niet toegekomen.”
eerste klachtvan het onderdeel houdt in dat het hof hiermee heeft miskend dat rente als een boedelschuld gekwalificeerd moet worden. Dat is om drie redenen het geval: (1) rente over een boedelschuld dient op basis van de wet als boedelschuld gekwalificeerd te worden; (2) voor de vraag of rente over de huurboedelschuld verschuldigd wordt is niet bepalend of de curatoren in hun hoedanigheid in verzuim zijn, en (3) de curatoren waren in dit geval in verzuim ter zake van betaling van de huurboedelschuld.
tweede klachtvan het onderdeel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat voor de vraag of rente over de huurboedelschuld verschuldigd wordt en deze (daarom) als boedelschuld wordt aangemerkt, bepalend is of de curatoren in hun hoedanigheid in verzuim zijn.
derde klachthoudt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de curatoren niet in verzuim waren ter zake van de huurboedelschuld.
[…] /Tiedeman. Het is in ieder geval geen schuld uit de eerste of tweede categorie (zie hiervoor onder 3.10). De schuld voldoet ook niet aan het criterium voor een schuld uit de derde categorie, omdat – zo begrijp ik het hofarrest – de curatoren (in hun hoedanigheid) niet in verzuim zijn komen te verkeren, nu het niet aan hun schuld is te wijten dat de omvang van de boedel onvoldoende is om de boedelschulden onmiddellijk en integraal te betalen.
[…] /Tiedeman(zie onder 3.10).
Floritex.Daarin werd overwogen dat art. 128 Fw Pro, dat inhoudt dat rentevorderingen die zijn ontstaan na de faillietverklaring niet ter verificatie kunnen worden ingediend, tenzij zij door pand of hypotheek zijn gedekt, niet in de weg staat aan het verschuldigd zijn van rente over een boedelschuld. [35] Naar aanleiding van de klacht dat het hof ten onrechte wettelijke rente had toegewezen over een toegewezen boedelschuld, overwoog de Hoge Raad dat art. 128 Fw Pro alleen betrekking heeft op ten tijde van de faillietverklaring bestaande vorderingen. Deze overweging moet zo begrepen worden, zo schrijft Van der Grinten in zijn noot onder het arrest, dat voor
boedelvorderingengeldt dat daarover ‘overeenkomstig de gewone regels’ rente ten laste van de failliete boedel verschuldigd is.
schuldvan de curatoren is toe te rekenen dat de omvang van de boedel niet toereikend is om de huurboedelschuld volledig te voldoen, lijkt mij geen steekhoudend argument. Kern van de zaak is dat de rentevordering opeisbaar is, evenals de huurboedelschuld. Zolang de huurovereenkomst doorloopt tijdens faillissement, moet de huur worden voldaan. Als de curatoren onzeker waren over de vraag of de boedel toereikend is om de huur uit te voldoen, hadden ze de huurovereenkomst eerder moeten opzeggen. Door dat niet te doen, hebben zij aanvaard dat zij de huurtermijnen verschuldigd zijn, vermeerderd met de contractuele rente bij niet tijdige betaling van de huurtermijnen.
5.Voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
eerste klachthoudt in dat voor zover in rov. 4.6 besloten ligt (i) dat de huurboedelschuld reeds opeisbaar is en/of (ii) dat de curatoren daarom, door niet onmiddellijk tot voldoening over te gaan, reeds in strijd zouden (kunnen) handelen met een door hen in hun hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting als bedoeld in r.o. 3.7.1 van het arrest
[…] /Tiedeman, getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting althans is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
invorderbaar in rechte, maar dat zegt niets over de opeisbaar van de huurboedelschuld. Invorderbaarheid en opeisbaarheid van een vordering is immers niet hetzelfde. [39] Overigens is in het hofarrest ook niet overwogen dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op de huurboedelschuld of dat die schuld niet opeisbaar is. Geoordeeld is slechts, kort gezegd, dat die vordering niet kan worden toegewezen omdat onzeker is of daarvoor afdoende ruimte in de boedel bestaat.
tweede klachthoudt in dat voor zover in rov. 4.6 besloten ligt dat ter zake van de huurboedelschuld is voldaan aan de eisen van art. 6:82 en Pro 6:83 BW, dat van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens de curatoren heeft het hof in dat geval miskend dat voor de vraag of ter zake van een boedelschuld is voldaan aan de eisen van art. 6:82 en Pro 6:83 BW, niet de rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de gefailleerde, maar die tussen de boedelschuldeiser en de curator doorslaggevend is. Verder wordt geklaagd dat indien het hof dat niet heeft miskend, het genoemde oordeel onbegrijpelijk is, aangezien het hof niet heeft vastgesteld dat de curatoren op toereikende wijze in gebreke zijn gesteld of dat op andere wijze is voldaan aan de eisen van art. 6:82 en Pro 6:83 BW.