Conclusie
(hierna: [de werknemer])
verzoeker tot cassatie
advocaat: mr. K. Teuben
(hierna: Eriks)
verweerster in cassatie
advocaten: mr. S.F. Sagel en mr. I.L.N. Timp
1.Feiten
Werkgever stopt loon omdat werknemer niet wil videobellen over een beëindiging van het dienstverband”, en onder mededeling dat het kort geding “
gezien het kleine aantal zaken dat thans dient en gezien de relatie met de maatregelen, (...) de nodige aandacht [zal] krijgen”.
morgen 8 mei 17.00 uurschriftelijk te reageren op de volgende vragen:
ongeschoondte retourneren bij ERIKS in Capelle (...).
vragenuitblijft, zal uw cliënt rekening moeten houden met een ontslag op staande voet. (...).
alleeigendommen in te leveren en niets achter te houden en uiterlijk 1700 te voldoen aan de dienstorder van het beantwoorden van vragen zoals in de email van 7 mei verwoord. De sanctie verbonden aan het niet voldoen aan deze instructies is reeds verwoord in de email van 7 mei.
2.Procesverloop
Gebruikers mogen geen vertrouwelijke informatie verwerken of overdragen aan niet-ERlKS-systemen, behalve wanneer dit uitdrukkelijk is toegestaan bij het uitvoeren van hun normale taken”. Dit omvat ook het overdragen van dergelijke informatie aan een aan de werknemer in privé toebehorende e-mail. Aan [de werknemer] kan op dit punt dan ook een ernstig verwijt worden gemaakt, te meer nu hij (ook achteraf) geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij bedrijfsgevoelige informatie naar zijn privéadres heeft gestuurd in een periode dat hij geen werkzaamheden meer voor Eriks verrichte. Zijn verklaring dat hij deze informatie nodig dacht te hebben in het kader van een ontslagprocedure, is niet overtuigend, gelet op de aard van de doorgestuurde informatie.
aan het vorenstaande” onvoldoende afdoen (rov. 6.9). Tot slot overweegt het hof dat de omstandigheden na het ontslag – het feit dat [de werknemer] na zijn ontslag heeft meegewerkt aan het verwijderen van de bedrijfsgegevens uit zijn e-mailboxen door een externe ict-deskundige en het feit dat niet is gebleken dat [de werknemer] de e-mails heeft gedeeld met anderen dan zijn advocaat – niet maken dat niet langer van een dringende reden kan worden gesproken (rov. 6.10).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
dan ook” leidt het onderdeel af dat het hof tot deze oordelen komt via (in ieder geval één van) de volgende drie schakels in zijn redenering in rov. 6.6, te weten – samengevat – dat:
klachten 1 en 3(zie het verzoekschrift tot cassatie, onder 2.3.6 resp. 2.3.9), die worden voorgesteld voor het geval het hof zijn bestreden oordeel (mede) heeft gebaseerd op overweging (i) (klacht 1) respectievelijk overweging (ii) (klacht 3).
Gebruikers mogen geen vertrouwelijke informatie verwerken of overdragen aan niet-ERIKS-systemen, behalve wanneer dit uitdrukkelijk is toegestaan bij het uitvoeren van hun normale taken.” Dit omvat ook het overdragen van dergelijke informatie aan een aan de werknemer in privé toebehorende e-mail. (…).”
op dit punt dan ook” een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het doorsturen van de e-mails met bedrijfsgevoelige informatie.
op dit punt dan ookeen ernstig verwijt kan worden gemaakt, moet ’s hofs bestreden oordeel zo worden begrepen, dat het hof heeft bedoeld dat [de werknemer] een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het doorsturen van de bewuste e-mails, omdat [de werknemer] daarmee het IT-reglement van Eriks heeft overtreden. De woorden ‘dan ook’ hebben kennelijk betrekking op de omstandigheid dat het IT-reglement dit doorsturen duidelijk verbiedt (en [de werknemer] dit desondanks toch heeft gedaan), en niet (ook) – zoals de klachten 1 en 3 tot uitgangspunt nemen – op de hiervoor onder (i) en (ii) samengevatte overwegingen van het hof. Díé overwegingen heeft het hof, naar ik rov. 6.6 begrijp, niet aan zijn bestreden oordeel ten grondslag gelegd. Veeleer lijkt het hof daarmee – in ieder geval met overweging (ii) – vooruit te lopen op rov. 6.7, waarin het hof ingaat op de weigering van [de werknemer] om (tijdig) de gevraagde openheid van zaken te geven en waarbij het hof (onder meer) refereert aan “
de (terechte) zorg van Eriks over wat er met haar bedrijfsgegevens was gebeurd”. Dit lijkt mij terug te slaan op overweging (ii), die inhoudt dat het hof het goed voorstelbaar acht dat Eriks verontrust was over het doorsturen van de bewuste e-mails door [de werknemer]. [27]
klachten 4 tot en met 7zien op de overwegingen van het hof in rov. 6.6 met betrekking tot het IT-reglement van Eriks (zie 3.7, onder (iii)).
hij (mocht denken dat hij) toestemming had voor het verzenden van bedoelde e-mails, dan wel dat Eriks met die verzending bekend was”. Daarbij gaat het kennelijk om de 150 e-mails met bedrijfsgevoelige informatie die [de werknemer] naar externe privé-emailadressen heeft verzonden. In rov. 6.8, waarin aan de orde is of het ontslag onverwijld is gegeven, oordeelt het hof dat het betoog van [de werknemer] dat Eriks al eerder had moeten ontdekken dat [de werknemer] zakelijke e-mails naar een adres buiten Eriks had verstuurd, niet slaagt. Het hof overweegt in dat verband onder meer dat [de werknemer] niet (voldoende onderbouwd) heeft gesteld dat Eriks ermee bekend en akkoord was dat hij sinds 2017 bij tijd en wijle e-mails naar zijn privé-emailadres had gestuurd om deze op zijn iPad te zetten voor gebruik bij klanten. Voorts is in rov. 6.8 overwogen:
nietbekend en akkoord was met het doorsturen van e-mails met bedrijfsgevoelige informatie (rov. 6.5, 6.8), en dat Eriks dit ook niet eerder had moeten ontdekken (rov. 6.8). Met betrekking tot de door de klacht genoemde stelling dat Eriks al voor 7 mei 2020 wist of had moeten weten dat [de werknemer] vertrouwelijke gegevens buiten de Eriks-systemen had gebracht, omdat de advocaat van [de werknemer] omzetgegevens uit van [de werknemer] afkomstige e-mails aan de advocaat van Eriks had verzonden, is hieraan toe te voegen dat het hof over deze stelling – eveneens onbestreden – overweegt dat Eriks
had kunnenweten dat [de werknemer] gegevens uit het systeem van Eriks had verstrekt aan zijn advocaat (rov. 6.8). Dit is iets anders dan dat Eriks hiervan
wist. Bij deze stand van zaken is er geen ruimte (meer) voor het door de klacht genoemde betoog van [de werknemer]. Het betrekken van dit betoog bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden – voor zover het hof dat niet reeds heeft gedaan – zou dan ook niet kunnen resulteren in een ander oordeel op dit punt. Dit betekent dat de klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
zeer bedrijfsgevoelige informatie” buiten de systemen van Eriks heeft gebracht, “
waardoor Eriks al geruime tijd grote risico’s loopt” en “
waarvan de schade niet te overzien is”. Als [de werknemer] de e-mails niet aan derden heeft doorgestuurd (en ook niet de intentie had om dat te doen), kan dat het verwijt dat aan [de werknemer] wordt gemaakt in een ander licht doen staan, aldus de klacht.
geheleperiode vanaf het doorsturen van de e-mails deze niet heeft gedeeld met anderen dan zijn advocaat, dus ook niet in de periode vóór het ontslag. ’s Hofs verwerping van de stellingen van [de werknemer] op dit punt kan volgens de klacht dan ook niet gedragen worden door de overweging dat het hier (uitsluitend) een omstandigheid van ná het ontslag zou betreffen.
niet is geblekendat [de werknemer] de e-mails heeft gedeeld met anderen dan zijn advocaat. Dit oordeel ziet op de gehele periode vanaf het doorsturen van de e-mails en kan daarmee wel degelijk de verwerping van de door klacht 5 genoemde stelling van [de werknemer] dragen. [31] Klacht 6 faalt derhalve.
klachten 8 en 9aan dat (i) uit hetgeen het hof in rov. 2.3 heeft vastgesteld volgt dat [de werknemer] ten tijde van het doorsturen van de e-mails net op non-actief was gesteld, terwijl hij juist kort daarvoor met
positiefgevolg een verbetertraject had doorlopen. Daarnaast noemt het verzoekschrift de stellingen van [de werknemer] (ii) dat hij tot vlak voor zijn non-actiefstelling nog zeer goede verkoopresultaten behaalde en (iii) dat hij de e-mails willekeurig – zonder een selectie te maken – heeft verstuurd naar zijn privé-mailadressen met de gedachte dat deze e-mails op enig moment relevant zouden kunnen worden in een eventuele ontslagprocedure en hij (dan) wenste te kunnen putten uit de informatie waarmee hij heeft gewerkt.
onder (i) en (ii)genoemde omstandigheden geldt dat niet zonder meer is in te zien in welk opzicht deze omstandigheden, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de ernst van het verwijt dat de [de werknemer] wordt gemaakt van het doorsturen van de e-mails of zouden kunnen afdoen aan (het oordeel van het hof over) de ernst van dit verwijt. De klacht licht dit echter niet toe. Een dergelijke toelichting is ook niet te lezen op de door de klacht genoemde vindplaatsen in de processtukken in feitelijke instantie. [33]
onder (iii)genoemde omstandigheid, geldt dat zij feitelijke grondslag mist. Het hof heeft deze omstandigheid immers wel degelijk in aanmerking genomen, namelijk waar het – na te hebben geoordeeld dat [de werknemer] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, te meer nu hij geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het doorsturen van de e-mails – aan het slot van rov. 6.6 overweegt dat de verklaring van [de werknemer] dat hij de doorgestuurde informatie dacht nodig te hebben in het kader van een ontslagprocedure, niet overtuigend is, gelet op de aard van de informatie.
bedrijfsgevoeligeinformatie. Die verwijzing moet zo worden begrepen, dat het hof daarmee doelt op de in rov. 6.5 gegeven beschrijving van de doorgestuurde informatie. Deze beschrijving luidt als volgt: “
informatie aangaande klanten van Eriks, verloopdata van contracten, prijsafspraken, omzetgegevens, productafspraken, marges en informatie over toekomstige specifieke klantbehoeftes etc.”. [34] Dat het hof in het licht hiervan de verklaring van [de werknemer] dat hij de doorgestuurde informatie dacht nodig te hebben voor een ontslagprocedure niet overtuigend heeft geacht, is niet onbegrijpelijk, nu de informatie volgens ’s hofs beschrijving geen betrekking heeft op (bijvoorbeeld) het functioneren en handelen van [de werknemer] of de arbeidsverhouding tussen [de werknemer] en Eriks. [35] Onvoldoende gemotiveerd is het bestreden oordeel evenmin.
adequate volledige verklaring en volledige beantwoording” van (onder meer) twaalf vragen vóór 8 mei om 17.00 uur;
harde deadline” was “
gelet op de recente ervaringen met het tankpasonderzoek” [37] ). Eriks bood in deze e-mail (dus) ook geen uitstel van de termijn van 8 mei 17.00 uur. In haar e-mail van 8 mei 2020 hield Eriks vast aan deze termijn.
niet onredelijkkort was, maak ik op dat het hof (onder ogen heeft gezien dat de termijn (zeer) kort was maar) in de
onder (i) en (ii)genoemde omstandigheden kennelijk geen aanleiding heeft gezien voor een oordeel dat niet van [de werknemer] kon worden gevergd dat hij binnen de door Eriks gestelde termijn met een adequate reactie op de e-mail van 7 mei 2020 zou komen c.q. dat Eriks niet mocht verwachten dat [de werknemer] binnen de door haar gestelde termijn met de gevraagde reactie zou komen.
onder (iii)vermelde omstandigheid hoefde het hof niet in te gaan. Bij de beoordeling die het hof in rov. 6.7 heeft verricht, namelijk of de
lengtevan de geboden reactietermijn voldoende was
voor een adequate reactie van de zijde van [de werknemer], is op zichzelf niet relevant dat Eriks niet zou hebben aangegeven waarom zij binnen die termijn antwoord verlangde en evenmin dat de e-mails van Eriks niet de mogelijkheid tot uitstel boden. Laatstgenoemde omstandigheid kan evenmin afdoen aan ’s hofs oordeel dat [de werknemer] niet (tijdig) aan Eriks heeft laten weten dat en waarom de termijn te kort was voor een adequate reactie. Daarvoor verwijs ik naar de bespreking van klacht 3 (onder 3.47-3.48).
onder (iv)genoemde omstandigheid houdt in dat de reactietermijn volgens Eriks redelijk was in verband met het belang van haar klanten, maar dat Eriks niet heeft onderbouwd op welke wijze zij of haar klanten schade zou(den) kunnen lijden doordat het antwoord van [de werknemer] pas op maandag zou worden gegeven. De klacht verwijst hierbij naar punt 31 van de pleitaantekeningen in hoger beroep, waar [de werknemer] onder meer heeft aangevoerd dat “
door Eriks wordt gesteld dat het redelijk was in verband met het belang van de klanten” en dat “
dit wordt gesteld onder punt e op bladzijde 19 van het verweerschrift”. Onder dit punt e heeft Eriks, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd (cursivering overgenomen): [38]
Het feit dat Eriks bij het ontslag op staande voet geen rekening had gehouden met het feit dat zij al hadden gestaakt het loon door te betalen, waardoor Eriks geen schade leed als gevolg van het uitstellen van de reactie tot de maandag 11 mei 2020”; deze stelling raakt kant noch wal; bij de beoordeling van gedragingen van [de werknemer] moet niet worden vergeten dat ERIKS, anders dan [de werknemer] wil doen geloven, daardoor wel degelijk schade kan lijden. Zo kan de relatie met haar klanten schade ondervinden. Daarnaast kunnen klanten van ERIKS eveneens schade lijden. Ook hoefde ERIKS geen rekening te houden met het feit dat sinds 27 maart 2020 sprake was van een loonstop. De loonstop houdt immers geen verband met het ontslag op staande voet. (…).”
de reactietermijnvolgens Eriks redelijk was in verband met het belang van haar klanten. [39] Het hof hoefde dan ook geen aanleiding te zien om omstandigheid (iv) bij zijn bestreden oordeel te betrekken.
onder (v)(‘het kwaad zou al zijn geschied’) en
onder (vi)(‘geen financieel nadeel door later ontslag’) vermelde omstandigheden is dat de door Eriks gestelde termijn langer had kunnen zijn c.q. het ontslag op staande voet ook later had kunnen worden gegeven zonder dat Eriks daarvan (financieel) nadeel zou hebben ondervonden. Ook deze omstandigheden hoefde het hof niet kenbaar bij zijn oordeel te betrekken. Dat Eriks [de werknemer] langer de tijd had kúnnen geven voor zijn reactie zonder daar zelf nadeel van te ondervinden, wil immers nog niet zeggen dat de
gesteldetermijn te kort zou zijn. Beide omstandigheden kunnen dan ook niet afdoen aan ’s hofs oordeel dat die termijn niet onredelijk kort was, zodat het hof niet was gehouden deze omstandigheden in aanmerking te nemen. Voor de omstandigheid
onder (v)geldt bovendien nog dat Eriks op 7 mei 2020 niet wist naar wie [de werknemer] de e-mails had verstuurd (zoals volgt uit de overwegingen in rov. 6.6 over de verontrusting van Eriks), zodat deze omstandigheid in dat opzicht ook niet aan het oordeel van het hof kan afdoen.
niet onredelijkkort was, ligt naar mijn mening genoegzaam besloten dat het hof de door de klacht genoemde omstandigheden onder ogen heeft gezien, bij zijn beoordeling van de redelijkheid van die termijn heeft betrokken en deze omstandigheden vervolgens kennelijk onvoldoende heeft geacht voor het oordeel dat deze termijn (wél) onredelijk kort was (vgl. onder 3.42). Voor zover de strekking van de klacht is dat het hof gezien de bewuste omstandigheden tot het oordeel had moeten komen dat de gestelde reactietermijn wél onredelijk kort is, geldt dat de klacht in dat geval vraagt om een hernieuwde feitelijke beoordeling van de betreffende omstandigheden, waarvoor in cassatie geen plaats is.
klachten 4 en 5lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Beide klachten zien op de volgende overwegingen van het hof in rov. 6.7:
harde deadline”) niet anders kon worden afgeleid dat Eriks [de werknemer] niet de mogelijkheid wilde bieden om (een verzoek te doen om) later te reageren dan 8 mei 2020 om 17.00 uur.
dit geldt te meer omdat”, lijken te zijn bedoeld als overwegingen ten overvloede, die niet (mede) dragend zijn voor het daarvóór reeds gegeven oordeel dat de gestelde reactietermijn niet onredelijk is. Dit zou betekenen dat de klachten belang missen. Ook indien moet worden aangenomen dat geen sprake is van overwegingen ten overvloede, kunnen de klachten echter niet slagen. Ik begin met een bespreking van klacht 5.
slechtsbij e-mail van 8 mei 2020 van zijn advocaat aan Eriks heeft bericht dat hij de e-mail van 7 mei 2020 had gezien en dat hij verwachtte in de loop van maandag te reageren. Dat het hof de reactie van de advocaat van [de werknemer] aldus niet voldoende heeft geacht (‘slechts’) en niet heeft opgevat als een mededeling van de strekking dat de gestelde reactietermijn te kort was, is niet onbegrijpelijk te noemen in het licht van de inhoud van deze reactie. Het door de advocaat van [de werknemer] verstuurde e-mailbericht van 8 mei 2020 houdt namelijk het volgende in: [40]
verzoekom uitstel is geen sprake en ook anderszins wordt niet gerefereerd aan de (onredelijkheid van de) gestelde reactietermijn. Ook wordt geen reden opgegeven voor het feit dat niet binnen de gestelde termijn zal worden gereageerd. Dat het hof uit het enkele feit dat de advocaat – zonder opgaaf van enige reden [41] – schreef dat hij verwachtte in de loop van maandag (dus pas na de gestelde termijn) te reageren, niet heeft afgeleid dat [de werknemer] de gestelde termijn te kort achtte voor een adequate reactie c.q. de reactie van de advocaat van [de werknemer] in dit opzicht niet afdoende heeft geacht, is geenszins onbegrijpelijk. De klacht licht ook niet toe waaruit het hof dit had moeten afleiden. Gelet op het voorgaande hoefde het hof zijn oordeel ook niet nader te motiveren.
harde deadline”. Dat volgens Eriks sprake was van een ‘harde deadline’ neemt niet weg dat het op dat moment (toch) op de weg van [de werknemer] had gelegen om, in reactie op de e-mail van 7 mei 2020, gemotiveerd aan Eriks te laten weten dat gestelde termijn te kort was voor de gevraagde reactie. [42] Het hof kon bij zijn oordeel over de redelijkheid van de gestelde termijn dan ook mede acht slaan op het feit dat [de werknemer] dit niet heeft gedaan. Klacht 4 faalt derhalve.
in het licht van dit alles” in rov. 6.7 niet (zonder nadere motivering, die ontbreekt) heeft kunnen oordelen dat de tweede door Eriks aangevoerde dringende reden – de weigering om (tijdig) de gevraagde openheid van zaken te geven – in dit geval aan de orde zou zijn. Gelet daarop zou het hof evenmin hebben kunnen oordelen dat deze weigering en het toesturen van de e-mails aan externe e-mailadressen in onderling verband en in samenhang bezien een voldoende dringende reden vormen.
nietheeft kunnen oordelen dat de tweede door Eriks aangevoerde dringende reden aan de orde is. Daarmee faalt klacht 6.
onvoldoendeafdoen, blijkt dat het hof de persoonlijke omstandigheden van [de werknemer] heeft meegewogen bij zijn oordeel of sprake is van een dringende reden, maar deze van onvoldoende gewicht heeft geacht voor een ander oordeel op dit punt (vgl. onder 3.4). Dit oordeel is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd te noemen. De klacht is dan ook tevergeefs voorgesteld.
dat aansluit bij de contouren die de rechter heeft aangegeven”. [46] Uit de door Eriks overgelegde e-mailberichten is niet op te maken dat [de werknemer] op dit voorstel heeft gereageerd. [47] Het voorstel dat de advocaat van [de werknemer] kennelijk daarna nog heeft gedaan, is door Eriks uiteindelijk, na het aanvankelijk uitblijven van een reactie, afgewezen, omdat het “
mijlenver verwijderd is van wat de kort geding rechter beschreef als een minnelijke regeling”. [48] Uit de processtukken in feitelijke instanties blijkt voorts dat Eriks nadat [de werknemer] hoger beroep had ingesteld in de onderhavige procedure, een schikkingsvoorstel heeft gedaan en heeft aangegeven graag met [de werknemer] (zonder tussenkomst van advocaten) in gesprek te willen gaan. In haar pleitaantekeningen in hoger beroep (onder 18) stelt Eriks dat [de werknemer] dit voorstel heeft genegeerd. [49] Het ligt in de rede dat het hof met zijn bestreden overweging hierop het oog heeft gehad.
onvoldoendemet concrete voorbeelden heeft onderbouwd. Anders dan de klacht voorstaat, heeft het hof dus wel degelijk onder ogen gezien dat [de werknemer] (concrete) voorbeelden heeft aangevoerd ter onderbouwing van de betreffende stelling. Het hof heeft deze voorbeelden echter onvoldoende geacht voor een gegrondbevinding van die stelling. Dit oordeel is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. Over de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel aan het slot van rov. 6.9 wordt echter niet geklaagd.