Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
De vrouw stelde cassatie in tegen de beschikking van het hof Amsterdam van 7 mei 2019, waarin alimentatiebetalingen waren vastgesteld over verschillende perioden na ontbinding van het huwelijk met de man, die in 2015 overleed. De minderjarige zoon is enige erfgenaam van de man.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de zaak enkelvoudig ter comparitie heeft behandeld zonder partijen vooraf te informeren dat deze zou plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris en zonder hen de mogelijkheid te bieden om een mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer te verzoeken. Dit is in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad over enkelvoudige en meervoudige behandeling in hoger beroep.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Bij een eventuele nieuwe comparitie moeten de regels over mededeling en verzoeken om meervoudige behandeling worden nageleefd. De overige klachten van het cassatiemiddel werden niet behandeld.
Uitkomst: De beschikking van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.