Conclusie
[verweerder 1] , h.o.d.n. [artiest],
[GmbH],
Alda. Verweerder sub 1. wordt verkort aangeduid als
[verweerder 1], en verweerster sub 2. wordt verkort aangeduid als
GmbH. Verweerders worden tezamen aangeduid als
[verweerders].
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
de Overeenkomst) gesloten tussen Alda enerzijds en (in ieder geval) GmbH anderzijds.
T&Cs).
International Centre for Dispute Resolution(ICDR) van de
American Arbitration Association. Alda heeft op 25 oktober 2017 een bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweer gevoerd, stellend
primairdat zowel ten aanzien van [verweerder 1] als GmbH geen geldige arbitrageovereenkomst was gesloten, en
subsidiairdat ten aanzien van [verweerder 1] geen geldige arbitrageovereenkomst was gesloten. Ter onderbouwing van het primaire verweer voerde Alda aan dat niet alle pagina’s van de Overeenkomst en van de T&Cs door [verweerder 1] en namens GmbH door een daartoe bevoegde persoon waren geparafeerd of ondertekend. Ten aanzien van het subsidiaire verweer voerde Alda aan dat [verweerder 1] geen partij was bij de Overeenkomst, en het in artikel 24 van Pro de T&Cs opgenomen arbitraal beding (daarom) op hem niet van toepassing was.
het arbitraal vonnis). In het arbitraal vonnis overweegt de arbiter, onder verwijzing naar het recht van de staat California, dat zowel GmbH als [verweerder 1] partij zijn bij de Overeenkomst (met Alda), en dat ten aanzien van hen beiden een geldig arbitraal beding is overeengekomen. De arbiter refereert er aan dat Alda, na het preliminaire verweer, niet is ingegaan op de herhaalde uitnodiging om ook inhoudelijk verweer te voeren. De arbiter beschrijft het ongeval op 28 februari 2016, oordeelt dat Alda nalatig is geweest een veilige werkomgeving voor [verweerder 1] te creëren, en dat Alda dientengevolge aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval. Aan het toekennen van ‘punitive damages’ komt de arbiter niet toe, aangezien de toepasselijke ICDR-regels daaraan in de weg staan, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.
3.Procesverloop
het hof) verzocht om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis
primairop voet van art. 1076 Rv Pro, en
subsidiairop voet van art. 1075 Rv Pro, in samenhang met het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken van 10 juni 1958 [3] (hierna:
Verdrag van New York).
de beschikking) [4] het verzoek van [verweerders] toegewezen en daartoe, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, als volgt overwogen.
punitive damages), althans is de schadevergoeding naar Nederlandse maatstaven excessief. Daarmee doet zich, volgens Alda, wederom de weigeringsgrond van art. 1076 lid 1 onder Pro B Rv voor. Het hof heeft ook dit verweer verworpen (rov. 3.5).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof dat de gebondenheid van [verweerder 1] en Alda aan het arbitraal beding, niet in strijd is met de openbare orde.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel van het hof dat erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij immateriële schadevergoeding ten bedrage van USD 5.500.000,- is toegekend, niet in strijd is met de openbare orde.
Gebondenheid [verweerder 1] en Alda aan arbitraal beding in strijd met de openbare orde
objectvan de Overeenkomst. Daarom kan de binding van [verweerder 1] en Alda aan het arbitraal beding niet de toets van art. 6 EVRM Pro [6] doorstaan. Het hof diende het verzoek van [verweerders] wegens strijd met de openbare orde (art. 1076 lid Pro 1 B Rv) te weigeren, aldus de klacht. [7]
restrictieveuitleg dient te geven aan het begrip ‘openbare orde’ (art. 1076 lid Pro 1 B Rv). Het door art. 6 EVRM Pro beschermde recht op toegang tot de overheidsrechter behoort tot de in art. 1076 lid Pro 1 B Rv bedoelde openbare orde. Het hof gaat eraan voorbij dat Alda en [verweerder 1] niet op de door art. 6 EVRM Pro vereiste ‘ondubbelzinnige’ wijze afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de overheidsrechter door te kiezen voor arbitrage. [8]
ondubbelzinnigheidvan afstand tot de overheidsrechter een centrale rol. Het EHRM heeft niet bepaald wat ‘ondubbelzinnige afstand’ precies inhoudt. De rechtspraak van het EHRM biedt wel enige aanknopingspunten. [18] Het EHRM lijkt in ieder geval niet te vereisen dat ondubbelzinnige afstand steeds uitdrukkelijk moet plaatsvinden, en niet in ander handelen of stilzwijgen besloten kan liggen. Evenmin vereist het EHRM dat instemming schriftelijk moet plaatsvinden, wil zij ondubbelzinnig zijn. [19]
heeftbeoordeeld of de keuze voor arbitrage ondubbelzinnig was. Het hof wijst in rov. 3.1.2 en 3.4 uitdrukkelijk op de door Alda voorgestane norm van ondubbelzinnige instemming, alsmede dat dit vereiste voortvloeit uit art. 6 EVRM Pro. Voor zijn oordeel dat sprake is van ondubbelzinnige instemming vindt het hof steun in de bepalingen van de Overeenkomst en de T&Cs. In het bijzonder heeft het hof in art. 24 van Pro de T&Cs, de
ondubbelzinnigekeuze gelezen om
allegeschillen die verband houden met het optreden van [verweerder 1] in de Jaarbeurs, door middel van arbitrage te beslechten. In dat oordeel ligt besloten dat [verweerder 1] en Alda daarmee op ondubbelzinnige wijze hebben ingestemd met de arbitrage die heeft geleid tot het arbitraal vonnis. De klacht faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
zelfniet ondubbelzinnig voor arbitrage heeft gekozen. Alda is namelijk (onbetwist) partij bij de Overeenkomst en de T&Cs. De veronderstelling dat [verweerder 1] niet op ondubbelzinnige wijze heeft ingestemd met arbitrage is bovendien onjuist in het licht van mijn opmerkingen onder 4.14. Alda heeft in appel ditzelfde verweer gevoerd in het kader van haar beroep op art. 1076 lid 1 Aa Pro, Rv. [23] Dit artikel bepaalt dat erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging wordt geweigerd indien naar het toepasselijke recht een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Het hof heeft het beroep op die weigeringsgrond verworpen en Alda heeft daartegen geen cassatieklachten gericht. Dit betekent dat in cassatie vaststaat dat naar Californisch recht – het recht dat op de Overeenkomst en de T&Cs van toepassing is – een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen.
zelfde arbitrage heeft geëntameerd en niet zijn eigen binding aan het arbitraal beding heeft betwist, wat er evident op wijst dat hij zich partij achtte bij de arbitrageovereenkomst. Al in 1992 [24] oordeelde de Hoge Raad dat een verweerder in een arbitrale procedure geacht mag worden de rechtsmacht van het scheidsgerecht te hebben aanvaard, op een wijze die niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro, indien hij zonder voorbehoud zelf een eis in reconventie in de arbitrage instelt. In het verlengde daarvan spreekt het voor zich dat iemand die zonder voorbehoud zelf een arbitraal geding entameert, daarmee geacht kan worden ondubbelzinnig de rechtsmacht van het scheidsgerecht te hebben aanvaard. Terecht heeft het hof geoordeeld dat [verweerder 1] een arbitrageovereenkomst met Alda had en op ondubbelzinnige wijze met arbitrage heeft ingestemd.
heeftgetoetst, kan de klacht geen doel treffen.
op zichzelfbetekenisloos is naast die van art. 1076 lid Pro 1 B Rv. Het gaat er om dat
de opvatting van Aldaart. 1076 lid 1 Aa Pro Rv betekenisloos
maaktnaast art. 1076 lid Pro 1 B Rv. De opvatting van Alda is dat geen sprake is van ondubbelzinnige instemming omdat [verweerder 1] niet als partij bij de Overeenkomst wordt genoemd, en zijn handtekening niet onder de Overeenkomst staat. De arbiter heeft dat verweer (naar Californisch recht) beoordeeld en gemotiveerd verworpen. [28] Het hof heeft datzelfde verweer in de context van het beroep op art. 1076 lid 1 Aa Pro Rv verworpen. Als datzelfde verweer evenwel zou moeten leiden tot het welslagen van het beroep op art. 1076 lid Pro 1 B Rv, dan is art. 1076 lid 1 Aa Pro Rv inderdaad betekenisloos. Aan het oordeel dat naar Californisch recht vaststaat dat een geldige arbitrageovereenkomst bestaat tussen [verweerder 1] en Alda, komt dan geen gewicht toe. Aan dat oordeel komt wél gewicht toe om de redenen zoals uiteengezet onder 4.20-4.21. De klacht faalt.
Yukos [32] heeft uw Raad zijn vaste rechtspraak over de maatstaf voor toetsing aan de openbare orde als grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis als volgt samengevat:
ten minstezo terughoudend te zijn als in vernietigingsprocedures. Ik verwijs naar wat H.J. Snijders hierover heeft opgemerkt:
Nederlandseopenbare orde. [38]
punitive damages) is toegekend. [39] Punitieve schadevergoeding is niet gericht op compensatie voor daadwerkelijk geleden schade, maar op bestraffing en afschrikking. In de Verenigde Staten wordt punitieve schadevergoeding naast en in aanvulling op compensatoire schadevergoeding toegewezen. [40] Een dergelijke op bestraffing en afschrikking gerichte vorm van schadevergoeding kent het Nederlandse schadevergoedingsrecht niet, gericht als het is op (volledige) compensatie van geleden schade maar niet meer dan dat. [41] Een absoluut verbod op de erkenning van buitenlandse (arbitrale) vonnissen waarin punitieve schadevergoeding is toegewezen kent ons recht weliswaar niet, [42] maar in de feitenrechtspraak wordt een dergelijk verzoek doorgaans afgewezen. [43]
punitive damages). Het middel betoogt dat het punitieve karakter moet worden afgeleid uit de hoogte van de schadevergoeding. Die hoogte (USD 5.500.000) duidt er in dit geval op dat de immateriële schadevergoeding niet compensatoir is. Ook in absolute zin is de immateriële schadevergoeding, volgens het middel, naar Nederlandse maatstaven te hoog.
Bundesgerichtshof [51] en het Franse
Cour de Cassation, [52] kan haar niet baten. De stellingen van Alda dienaangaande miskennen dat het in ieder van deze uitspraken ging om de niet-erkenning van
punitieveschadevergoedingen. Uit deze uitspraken volgt niet, zoals het middel wel probeert voor te houden, dat een compensatoire schadevergoeding enkel vanwege de hoogte daarvan niet voor erkenning in aanmerking komt. [53]
kunnenresponderen.