ECLI:NL:HR:2001:AB1337
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens aantasting eer en goede naam binnen familie
In deze zaak vorderde eiseres schadevergoeding van verweerder wegens aantasting van haar eer en goede naam door uitlatingen van verweerder, haar zoon. De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel. De uitlatingen betroffen ernstige aantijgingen, waaronder beschuldigingen van moord en seksueel misbruik.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 6:106 BW Pro de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft om een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te kennen, maar ook om deze toe te wijzen of te weigeren afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Gezien de familierelatie tussen partijen en het beperkte bereik van de uitlatingen, vond het hof geen gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiseres en bevestigde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte.
De Hoge Raad compenseerde de kosten van het geding zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Hiermee bleef de afwijzing van de schadevergoeding in stand ondanks de erkende aantasting van de eer en goede naam.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat geen schadevergoeding wordt toegekend ondanks aantasting van eer en goede naam.