Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
NJ2019/285 en ECLI:NL:HR:2018:1957,
NJ2019/286, beide voorzien van een mooie noot van Mevis, heeft de Hoge Raad aan de hand van zijn eerdere rechtspraak enkele algemene opmerkingen gemaakt over de wijze waarop aanhoudingsverzoeken door de verdediging moeten worden onderbouwd en door de rechter dienen te worden beoordeeld. In beide arresten maakt de Hoge Raad onderscheid tussen twee gronden waarop een verzoek van de verdediging tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgewezen. Alvorens deze gronden te noemen, wijs ik evenwel eerst op het latere arrest van 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:90,
NJ2019/66 waarin de Hoge Raad een grond voor afwijzing van het aanhoudingsverzoek aanvaard die goed beschouwd aan de twee gronden uit de genoemde arresten van 16 oktober 2016 voorafgaat. Het beslissingsschema met betrekking tot
afwijzingziet er dan als volgt uit: (i) door of namens de verdachte is niet vermeld waarop het verzoek tot aanhouding van de behandeling steunt (
NJ2019/66), (ii) de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid is niet aannemelijk (
NJ2019/285/286); (iii) als de eerste twee gevallen zich niet voordoen, dient de rechter (dit is dan de laatste stap) alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen te hebben afgewogen (
NJ2019/285/286).
NJ2020/24, m.nt. Mevis is hier van belang. [9] In die zaak was door de raadsman aangevoerd dat hij niet wist waarom de verdachte niet ter terechtzitting was verschenen en het mogelijk achtte dat de verdachte geen weet had van de zitting, reden waarom hij het aanhoudingsverzoek deed. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk verzoek zonder meer als “niet aannemelijk” terzijde kan worden geschoven wanneer de dagvaarding of oproeping aan de verdachte in persoon is betekend. Het verzoek kan dan reeds op die grond worden afgewezen. Wanneer de betekening niet in persoon is gedaan, maar wel op de rechtsgeldige wijze, mag de rechter een dergelijk aanhoudingsverzoek niet op die enkele grond afwijzen. Afwijzing op grond van niet-aannemelijkheid is dan alleen mogelijk als op een andere manier duidelijk is geworden dat de verdachte
welop de hoogte was geraakt van de datum van de zitting. Wanneer dit niet kan worden vastgesteld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij de aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. [10] Voor de duidelijkheid geef ik de desbetreffende overweging van de Hoge Raad hier weer:
.Het hof heeft geen blijk ervan gegeven te zijn nagegaan of de verdachte op enig andere manier op de hoogte is geraakt van (de datum van) het onderzoek ter terechtzitting. Het voorgaande maakt dat het hof bij deze stand van zaken een belangenafweging had dienen te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Deze belangenafweging heeft het hof echter niet op kenbare wijze gemaakt.