Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting op onbegrijpelijke gronden, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen, dan wel de verdachte op onjuiste althans ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
[…]
NJ2020/229, m.nt. Mevis verzocht de niet gemachtigde raadsman om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte en voegde hij daaraan toe dat hij dat verzoek niet nader kon onderbouwen. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af omdát het niet was onderbouwd. De Hoge Raad stelde de uit zijn overzichtsarrest bekende overwegingen voorop en overwoog vervolgens: [5]
NJ2020/24, m.nt. Mevis) heeft overwogen met betrekking tot de beoordeling door de rechter van een aanhoudingsverzoek in het geval waarin de raadsman op de terechtzitting aangeeft dat hij niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting. Zo kan (de eerste variant in dit geval) die aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid zonder meer als “niet aannemelijk” worden beoordeeld indien de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Indien de dagvaarding of de oproeping niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze is betekend (de tweede variant), kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen, nu uit zo een betekening niet zonder meer volgt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. Dan is een afwijzing van het verzoek tot aanhouding op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk indien op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting. Vervolgens gaat de Hoge Raad nader in op de derde variant:
NJ2007/30. De raadsman had op de terechtzitting in hoger beroep meegedeeld niet te weten of de verdachte van de zitting op de hoogte was en dat hij hem niet had kunnen bereiken en niet wist waar de verdachte verbleef. Hij had een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak gedaan omdat hij geen tijd had gehad om de zaak voor te bereiden en omdat hij de verdachte niet had kunnen spreken; wel had hij naar zijn zeggen hoop de verdachte te kunnen vinden. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af en overwoog dat “het voor risico van de verdachte komt indien hij niet tijdig contact opneemt met zijn raadsman en/of deze niet machtigt, respectievelijk indien hij, na het instellen van hoger beroep en nadien behoorlijk gedagvaard, zonder afbericht niet ter terechtzitting verschijnt en/of zich niet bereikbaar houdt voor gerechtelijke mededelingen”. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand en overwoog onder meer: