Conclusie
1.Inleiding
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft de Richtlijn oneerlijke bedingen,
onderdeel2 de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.
subonderdeel I.1voorop dat de rechtsstrijd tussen partijen gaat over de verbindendheid van een contractueel beding over, en de verschuldigdheid van, een rente-opslag, en klaagt in
subonderdeel I.2dat het hof heeft miskend dat de rechter verplicht is om een beding ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen, dat wil zeggen te onderzoeken of het beding oneerlijk is en daartoe zo nodig informatie van partijen dient op te vragen. Het hof heeft de Richtlijn oneerlijke bedingen niet getoetst, de Richtlijn wordt nergens genoemd in het arrest, aldus het middel.
subonderdelen I.3 tot en met I.7, is gericht tegen de rov. 5.3 waarin het hof het beroep van [eiseres] op de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken verwierp:
subonderdelen I.3 tot en met I.6lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdeel I.3, dat onjuist is dat de consument moet stellen welke bepalingen uit de richtlijn rechtstreekse werking hebben, behoeft daarom geen behandeling.
subonderdelen I.4 en I.5voeren verder op zichzelf terecht aan dat de rechter, kort gezegd, het nationale recht ambtshalve dient uit te leggen en toe te passen in het licht van toepasselijke EU-richtlijnen. [21]
subonderdeel I.5op zichzelf terecht aan dat bij de beoordeling van de vraag of een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen een rol kan spelen de omstandigheid dat het gebruik van het beding dient te worden aangemerkt als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. [22]
subonderdeel I.6impliceert dit dat het hof ook ambtshalve aan de Richtlijn oneerlijke bedingen had dienen te toetsen bij de beoordeling van de door [eiseres] aan haar vorderingen ten grondslag gelegde gronden.
Deze richtlijn laat het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet.” Reeds hieruit volgt dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet ertoe strekt een rechtshandeling te treffen met nietigheid op de in art. 3:40 lid 1 BW Pro bedoelde gronden(en).
subonderdeel I.7het betoog van de subonderdelen I.3-I.6 herhaalt, dient het te falen om de in 2.9 gegeven redenen.