Conclusie
1.Feiten
Er is geen aanleiding te twijfelen aan het normaal functioneren van de deuren en van de technische hulpmiddelen die de personenvervoerder zicht geven over het perron gedurende het vertrekproces (noot: de metrocombinatie is direct technisch onderzocht door de afdeling railmaterieel van GVB. Er zijn geen afwijkingen aangetroffen (zie bladzijde 5 van de rapportage).
Uit de reconstructie blijkt dat de bij het incident betrokken personenvervoerder de passagier bij de achterste deur voor en tijdens het vertrek van de metro heeft moeten kunnen zien.
De beschrijving van het incident door de personenvervoerder wijkt af van de cameraregistraties. Er stond al vijf seconden een persoon binnen het profiel van vrije ruimte (PVR) van de metro, voordat de metro zich in beweging zette. Daarnaast heeft de passagier niet op de klaptrede gestaan, maar zat vastgeklemd tussen de deuren.
(…)
Het ongeval is veroorzaakt door menselijk falen van de personenvervoerder van de 50-09. Hij heeft via de trein-TV-monitor onbelemmerd zicht kunnen hebben op de tussen de deuren ingeklemde reiziger. Hij is vertrokken terwijl een reiziger zich al vijf seconden binnen het profiel van de vrije ruimte bevond. Hij heeft gedurende vier seconden de metro laten rijden, terwijl de passagier tussen de deuren geklemd zat.
De personenvervoerder heeft door het niet correct toepassen van de vertrekprocedure een reiziger in gevaar gebracht.
Wanneer zich bij het vertrek van een metro vanaf een halte een incident voordoet waarbij de veiligheid van een persoon in gevaar is geweest, dan dient de personenvervoerder dit incident te melden bij de verkeersleiding.
De personenvervoerder heeft het incident niet zelf bij de verkeersleiding gemeld.”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
3.4 GVB heeft in het principaal appel verweer gevoerd en heeft primair verzocht Werknemer in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzocht de bestreden beslissing te bekrachtigen. GVB heeft haar primaire verweer onderbouwd door er op te wijzen dat voor de afloop van de beroepstermijn op 18 december 2018 om 24.00 uur per fax weliswaar een stuk was ingediend met als opschrift ‘Hoger beroepschrift’, doch dat van de 22 pagina’s tellende fax slechts vijf pagina’s waren bedrukt en de overige zeventien pagina’s blanco waren. Een 22 pagina’s tellend beroepschrift, vergezeld van producties, werd pas op 8 januari 2019 ingediend. De gemachtigde van Werknemer heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het volledige, op dat moment gereed zijnde beroepschrift van 22 pagina’s op 18 december 2018 omstreeks 23.30 uur te hebben gefaxt, en heeft meegedeeld er geen verklaring voor te hebben waarom van het bericht dat is aangekomen slechts vijf pagina’s tekst bevatten. Haar faxmachine verstrekte haar direct na de verzending het bericht dat 22 pagina’s waren gefaxt. Het hof oordeelt op dit punt als volgt. Nog daargelaten dat reeds de vier wél tekst bevattende bladzijden van de fax op grond van de inhoud daarvan moeten worden aangemerkt als beroepschrift (zodat Werknemer in elk geval ontvankelijk is in zijn beroep), moet op grond van de ter zitting door [betrokkene 1] gegeven toelichting op de gang van zaken het ervoor worden gehouden dat het niet afgedrukt zijn van de overige bladzijden het gevolg is van een technische oorzaak die niet voor rekening van Werknemer behoort te komen. In elk geval kan zodanige mogelijkheid niet worden uitgesloten. Het hof zal daarom acht slaan op het volledige beroepschrift zoals het naderhand bij het hof is ingekomen.”
acht [te] slaan op het volledige beroepschrift zoals dat naderhand bij het hof is ingekomen’. Namelijk (i) dat reeds de vier tekst bevattende bladzijden van de fax moeten worden aangemerkt als beroepschrift, en (ii) dat het niet afgedrukt zijn van de overige bladzijden het gevolg is van een technische oorzaak, die niet voor rekening van Werknemer behoort te komen, althans dat zodanige mogelijkheid niet kan worden uitgesloten. Dat betekent dat het incidenteel cassatieberoep alleen kan slagen wanneer beide door het hof gebezigde argumenten niet opgaan. Als ik het goed zie, gaan partijen ook uit van deze lezing. [4]
onderdeel 1getuigt de beslissing van het hof dat de vier ‘
wél tekst bevattende bladzijden van de fax op grond van de inhoud daarvan moeten worden aangemerkt als beroepschrift (zodat Werknemer in elk geval ontvankelijk is in zijn beroep)’, van een onjuiste rechtsopvatting over het in art. 278 lid 1 jo Pro. art. 359 Rv Pro neergelegde vereiste dat een verzoekschrift/beroepschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust dient te bevatten. Het hof heeft dat miskend, althans is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken. Behoudens vier regels van grief 1, bevat het aan het hof gefaxte document namelijk geen grieven/gronden van het beroep.
Grieven van het hoger beroep:
vijf pagina’s tekst’, maar nu tussen partijen vaststaat dat het einde van de tekst van het beroepschrift die het hof heeft bereikt luidt zoals hiervoor vermeld (wat betekent dat de eerste vier pagina’s van het beroepschrift zijn ontvangen), is een eventuele extra bladzijde waarschijnlijk een aanbiedingsbriefje of V1-indieningsformulier geweest.
1. [Werknemer] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank d.d. 18 september 2018 (…)
Nog daargelaten dat reeds de vier wél tekst bevattende bladzijden van de fax op grond van de inhoud daarvan moeten worden aangemerkt als beroepschrift (zodat Werknemer in elk geval ontvankelijk is in zijn beroep)’).De vraag is of dit oordeel juist is. In dat verband is het volgende van belang.
. [7]
niet is voldaan aan de vereisten van art. 6:669 lid 3 onder Pro e BW’ [18] (bedoeld zal zijn art.
7:669). Verder bevat de tekst één halve grief (zie het citaat onder 3.8). In zoverre kan gezegd worden dat de tekst enkele gronden bevat. Het hof heeft zich bij zijn beoordeling echter niet beperkt tot de uit deze tekst te destilleren gronden.
niet is voldaan aan de vereisten van art. 6:669 lid 3 onder Pro e BW’’ en dat ‘
de ontbinding in eerste aanleg niet voldragen is’. Dat zegt nog niets over het verzoek dat Werknemer daarmee wenst te doen.
de vier wél tekst bevattende bladzijden van de fax op grond van de inhoud daarvan moeten worden aangemerkt als beroepschrift (zodat Werknemer in elk geval ontvankelijk is in zijn beroep’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de per fax ontvangen vier pagina’s tekst niet een duidelijke omschrijving bevatten van het verzoek en slechts in zeer beperkte mate de gronden waarop het verzoek berust. Ook de motiveringsklacht slaagt. Niet valt in te zien waarom de door het hof per fax ontvangen tekst als een beroepschrift kwalificeert, nu het geen omschrijving bevat van het verzoek dat aan de appelrechter wordt gedaan.
een 22 pagina’s tellend beroepschrift, vergezeld van producties, (…) pas op 8 januari 2019 ingediend werd’. Aangevoerd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van haar stelling dat het beroepschrift met de volledige gronden op 11 januari 2019 (volgens het poststempel van het hof) bij het hof is binnengekomen. GVB verwijst naar haar verweerschrift in hoger beroep, waarin is vermeld (onder 9 en 10): ‘
Na een reminder van [betrokkene 3][administratief medewerker Hof Amsterdam, A-G] [20] aan de gemachtigde van Werknemer per e-mail van 28 december 2018 is het beroepschrift met de (volledige) gronden pas op 11 januari 2019 (volgens het poststempel) bij het Hof binnengekomen.’Ter onderbouwing wordt in het verweerschrift verwezen naar productie 26. Die productie bevat een e-mailwisseling tussen de advocaat van GVB en de griffie van het hof over het (onvolledige) beroepschrift van Werknemer, en een e-mail van de griffie aan de advocaat van Werknemer.
een 22 pagina’s tellend beroepschrift, vergezeld van producties, (…) pas op 8 januari 2019 [werd] ingediend’.
daarom acht [zal] slaan op het volledige beroepschrift zoals het naderhand bij het hof is ingekomen.’
op grond van de ter zitting door [betrokkene 1] gegeven toelichting op de gang van zaken (..) voor [moet] worden gehouden dat het niet afgedrukt zijn van de overige bladzijden het gevolg is van een technische oorzaak die niet voor rekening van Werknemer behoort te komen’, en dat ’
in elk geval (…) zodanige mogelijkheid niet [kan] worden uitgesloten’, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 3:37 lid 3 BW Pro. Het hof mocht voor het aannemen van een uitzondering op de in die bepaling neergelegde hoofdregel dat een verklaring pas haar werking heeft indien deze de ander heeft bereikt, niet volstaan met de vaststelling dat het niet (tijdig) ontvangen van de verklaring het gevolg is van een omstandigheid die niet voor rekening van de afzender komt of behoort te komen, maar had moeten vaststellen dat het niet (tijdig) ontvangen van die verklaring het gevolg is van een omstandigheid waarvoor het hof als geadresseerde de verantwoordelijkheid draagt. Het subonderdeel vervolgt met de motiveringsklacht dat – zo het hof dit niet zou hebben miskend – het oordeel dat het niet afgedrukt zijn van de overige bladzijden het gevolg is van een technische oorzaak waarvoor het hof als geadresseerde de verantwoordelijkheid draagt, onbegrijpelijk is.
in elk geval zodanige omstandigheid niet [kan] worden uitgesloten’, heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast dat sprake is van een technische oorzaak waardoor blanco pagina’s bij het hof zijn binnengekomen, bij Werknemer liggen.
Indiening van stukken en ontvangstbevestiging
dat SpeakUp eFax een systeem voor gegevensverwerking betreft waarvoor het hof geen verantwoordelijkheid draagt’, zonder dat het hof enig onderzoek had ingesteld naar het functioneren van het faxapparaat van het hof op het tijdstip van verzending. Uit de beslissing kan dus níet worden afgeleid dat het niet ontvangen van een faxbericht steeds voor risico van de ontvanger komt; dat is slechts aan de orde indien het niet (of niet volledig) ontvangen van het faxbericht
het gevolg is van een storing of defect van het faxapparaat van het gerecht.
ervoor moet worden gehouden dat het niet afgedrukt zijn van de overige bladzijden het gevolg is van een technische oorzaak die niet voor rekening van Werknemer behoort te komen’ blijkt niet dat het hof het hiervoor bedoelde onderzoek heeft verricht. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 3:37 lid 3 BW Pro. Datzelfde geldt voor de overweging dat ‘
In elk geval […] zodanige mogelijkheid niet [kan] worden uitgesloten.’
de ter zitting door [betrokkene 1] gegeven toelichting’. Die toelichting had geen betrekking op de vraag of het niet-ontvangen het gevolg is van omstandigheden die het hof betreffen, zo leid ik af uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof. Daarin is het volgende te lezen: [37]
Hierna geven advocaten — zakelijk weergegeven - antwoord op de door het hof gestelde vragen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroepschrift.
subonderdeel 4cis de beslissing van het hof in rov. 3.4 dat het hof ‘
daarom acht [zal] slaan op het volledige beroepschrift zoals het naderhand bij het hof is ingekomen’, onbegrijpelijk omdat het hof daarbij enkel heeft beoordeeld of sprake is van een technische oorzaak die voor rekening van Werknemer behoort te komen en heeft nagelaten andere, relevante omstandigheden waarvan het hof kennis heeft genomen, (kenbaar) bij zijn beoordeling te betrekken. GVB wijst daarbij op de volgende omstandigheden:
per ommegaande” in vijfvoud aan het hof te doen toekomen, maar het beroepschrift is desondanks niet eerder dan op 8 januari 2019 – dat is: 11 dagen na de reminder en 21 dagen na het verstrijken van de appeltermijn – of op 11 januari 2019 – dat is: 14 dagen na de reminder en 24 dagen na het verstrijken van de appeltermijn - ingediend; en
per ommegaande’ in vijfvoud aan het hof te doen toekomen, waarna het beroepschrift op 8 januari 2019 (naar het hof in rov. 3.4 heeft overwogen) – dat is: 11 dagen na de reminder en 21 dagen na het verstrijken van de appeltermijn – of (naar GVB heeft aangevoerd, zie onderdeel 2) op 11 januari 2019 – dat is: 14 dagen na de reminder en 24 dagen na het verstrijken van de appeltermijn – is ingediend.
per ommegaande’ het beroepschrift in vijfvoud en het dossier uit de eerste aanleg per post te doen toekomen, [39] lijkt geen verband te hebben gehouden met de ontvangst van de blanco pagina’s. [40] Ik ga er vanuit dat dit verzoek uitsluitend is gedaan met het oog op art. 1.1.1.4 van het procesreglement (zie hiervoor onder 3.33). In die zin is ook niet relevant of het beroepschrift op 8 danwel op 11 januari 2019 door het hof is ontvangen. Maar zelfs al zou dat anders dan zijn, dan heeft te gelden dat overschrijding van een appeltermijn niet kan worden hersteld door alsnog ‘per ommegaande’ een beroepschrift in te zenden (zie ook hierna onder 3.57 en 3.58).
inhoudvan het beroepschrift (of de procesinleiding of het verzoekschrift in cassatie). In het algemeen geldt immers dat een herstelexploot niet kan worden gebruikt om een vergissing in de inhoud van een dagvaarding te herstellen [44] en dat een beroepschrift enkel kan worden hersteld door indiening van
hetzelfdeberoepschrift. [45] De enige uitzondering hierop is, zoals hiervoor is besproken (zie onder 3.13), de mogelijkheid om het beroepschrift aan te vullen wanneer de tekst van de beschikking na de uitspraak niet dadelijk beschikbaar is en de appeltermijn verder uitstel van de indiening van het beroepschrift niet toelaat, en wanneer pas later een proces-verbaal van de zitting beschikbaar is. Dit doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor.