Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelheeft als strekking dat de veroordeling van de verdachte in verband met de toepasselijkheid van de recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 strijd oplevert met de artikelen 6 en 7 EVRM en met beginselen van een behoorlijke procesorde. Het middel valt uiteen in verschillende deelklachten.
NJ2019/75. Mijn ambtgenoot Spronken is in haar conclusie voorafgaand aan dat arrest uitgebreid ingegaan op de in de schriftuur aangedragen argumenten. De Hoge Raad heeft het volgende overwogen:
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de strafoplegging onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.