ECLI:NL:HR:2007:BA7692

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03185/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
4 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling ondanks overschrijding redelijke termijn in verkeerszaak

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij werd veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een geldboete, voorwaardelijke hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden.

In cassatie klaagde de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad constateerde dat de termijn tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken inderdaad was overschreden.

Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat gezien de aard en zwaarte van de opgelegde straffen geen aanleiding bestond om rechtsgevolgen te verbinden aan deze termijnoverschrijding. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

De uitspraak benadrukt het belang van de redelijke termijn in strafzaken, maar ook dat overschrijding niet automatisch leidt tot vernietiging van een uitspraak wanneer de opgelegde straf niet disproportioneel is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn; de opgelegde straffen blijven in stand.

Uitspraak

25 september 2007
Strafkamer
nr. 03185/06
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 oktober 2005, nummer 22/002564-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 18 maart 2004 - de verdachte ter zake van 1."overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld t.a.v. feit 1 tot een geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis en t.a.v. feit 2 tot twee weken hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden met verbeurd- verklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Tj.E. van der Spoel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de duur van de opgelegde bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid, de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte heeft op 18 oktober 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 9 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen als hiervoor onder 1 vermeld, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 september 2007.