Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 12 oktober 2014 werd vervolgd voor het rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 740 microgram per liter uitgeademde lucht, ruim boven de wettelijke grens van 220 microgram. Het Hof Den Haag had het verweer van de verdachte verworpen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn vanwege het automatisch verlies van het rijbewijs op grond van de recidiveregeling in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
De Hoge Raad bevestigde deze beslissing en overwoog dat het verlies van de geldigheid van het rijbewijs van rechtswege volgt uit een onherroepelijke veroordeling voor een tweede alcoholgerelateerd verkeersdelict binnen vijf jaar. Dit verlies is een bestuursrechtelijke maatregel en geen strafrechtelijke sanctie, waardoor er geen sprake is van dubbele vervolging of schending van het ne bis in idem-beginsel.
Het Hof had bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat de verdachte zijn rijbewijs opnieuw moest halen en een cursus had gevolgd. De Hoge Raad oordeelde dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet wordt aangetast door het rechtsgevolg van het rijbewijsverlies en verwierp het cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer op 18 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling en ontvankelijkheid van het OM ondanks het automatisch verlies van het rijbewijs.