Conclusie
middelricht zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
twee proceduresdie hun directe oorsprong vinden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de vraag centraal of de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994, die het automatische verlies van het rijbewijs regelt bij een tweede onherroepelijke veroordeling voor rijden onder invloed binnen vijf jaar, in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. De verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 615 microgram per liter uitgeademde lucht, terwijl hij binnen vijf jaar eerder al een strafbeschikking had gekregen voor een soortgelijk feit.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de recidiveregeling een dubbele bestraffing inhoudt, vergelijkbaar met het alcoholslotprogramma, waarbij ook sprake is van een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en hoge kosten. De verdediging stelde dat het verlies van het rijbewijs als een straf ('criminal charge') moet worden gezien en dat vervolging naast deze regeling onrechtmatig is.
Het hof verwierp dit verweer met het argument dat de recidiveregeling geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat het verlies van het rijbewijs van rechtswege plaatsvindt zonder dat sprake is van een afzonderlijke procedure. De AG concludeert dat er geen sprake is van twee afzonderlijke procedures die elk het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben, en dat het ne bis in idem-beginsel daarom niet wordt geschonden.
De AG wijst ook op de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het alcoholslotprogramma, waarin wel sprake was van een bestuursrechtelijke maatregel met een procedure, maar benadrukt dat de recidiveregeling anders is omdat het verlies van het rijbewijs automatisch en zonder afzonderlijke besluitvorming plaatsvindt. De conclusie is dat het OM ontvankelijk is in de vervolging en dat het verweer tot niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging; het ne bis in idem-beginsel wordt niet geschonden door de recidiveregeling.