AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling ne bis in idem-beginsel bij recidiveregeling rijbewijsverlies wegens rijden onder invloed
In deze zaak staat de vraag centraal of de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994, die het automatische verlies van het rijbewijs regelt bij een tweede onherroepelijke veroordeling voor rijden onder invloed binnen vijf jaar, in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. De verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 615 microgram per liter uitgeademde lucht, terwijl hij binnen vijf jaar eerder al een strafbeschikking had gekregen voor een soortgelijk feit.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de recidiveregeling een dubbele bestraffing inhoudt, vergelijkbaar met het alcoholslotprogramma, waarbij ook sprake is van een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en hoge kosten. De verdediging stelde dat het verlies van het rijbewijs als een straf ('criminal charge') moet worden gezien en dat vervolging naast deze regeling onrechtmatig is.
Het hof verwierp dit verweer met het argument dat de recidiveregeling geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat het verlies van het rijbewijs van rechtswege plaatsvindt zonder dat sprake is van een afzonderlijke procedure. De AG concludeert dat er geen sprake is van twee afzonderlijke procedures die elk het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben, en dat het ne bis in idem-beginsel daarom niet wordt geschonden.
De AG wijst ook op de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het alcoholslotprogramma, waarin wel sprake was van een bestuursrechtelijke maatregel met een procedure, maar benadrukt dat de recidiveregeling anders is omdat het verlies van het rijbewijs automatisch en zonder afzonderlijke besluitvorming plaatsvindt. De conclusie is dat het OM ontvankelijk is in de vervolging en dat het verweer tot niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging; het ne bis in idem-beginsel wordt niet geschonden door de recidiveregeling.
Conclusie
Nr. 17/00687
Zitting: 2 oktober 2018
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 7 februari 2017 heeft de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de verdachte veroordeeld wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” en bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Namens de verdachte heeft mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het gaat in deze zaak om het volgende. Aan de verdachte is op 17 december 2013 een onherroepelijke strafbeschikking opgelegd ter zake van – kort gezegd – rijden onder invloed. Deze strafbeschikking valt onder de in art. 123b WVW 1994 neergelegde recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten. Als gevolg van deze regeling wordt het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig wanneer hij onherroepelijk is veroordeeld voor het feit waarvoor hij thans wordt vervolgd. In hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat een veroordeling van de verdachte vanwege de toepassing van de recidiveregeling tot een dubbele bestraffing zal leiden, hetgeen in strijd is met het ne bis in idem-beginsel.
Het middelricht zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 december 2015 te Hilversum als bestuurder van een voertuig (tweewielige bromfiets) dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 615 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.”
4.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden – voor zover hier van belang – het volgende in:
“Over het verweten feit kan ik kort zijn. Cliënt erkent dat hij op de snorfiets is gestapt terwijl hij 8 biertjes had gedronken. Ook kan ik geen opmerkingen maken over het ademonderzoek of andere formaliteiten in het voorbereidend onderzoek. U kunt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken in beginsel dan ook tot een bewezenverklaring komen. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat het zo ver niet zou moeten komen, nu het openbaar ministerie om de volgende reden niet tot vervolging had moeten overgaan.
De recidiveregeling van artikel 123b WvW
Sinds juni 2011 is er een recidiveregeling in de Wegenverkeerswet 1994 (WvW) van kracht, opgenomen in artikel 123b. Deze regeling houdt in dat het rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën van rechtswege verliest, indien de houder ervan onherroepelijk is veroordeeld wegens - onder meer - rijden onder invloed van een alcoholgehalte boven de 570 microgram (uitgeademde lucht) of 1,3 milligram (bloed), terwijl hij in de vijf jaren voorafgaand aan het begaan van dit feit eerder onherroepelijk wegens - onder meer - rijden onder invloed is veroordeeld. Een strafbeschikking wordt aan een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld. De regeling maakt geen onderscheid in het motorrijtuig dat werd bestuurd: snorfiets of auto.
Bovenstaande regeling zal op cliënt van toepassing zijn, indien deze strafzaak uitmondt in een onherroepelijke veroordeling. Zijn alcoholgehalte was op 11 december 2015 bij de ademanalyse immers 615 (en dus hoger dan 570) microgram en het OM besloot in een eerdere zaak van cliënt (op 17 december 2013, dus binnen vijf jaar voor dit feit) al eens tot uitvaardiging van een strafbeschikking wegens rijden onder invloed. Helaas doet het feit dat hij slechts op een snorfiets reed, hieraan niet af. Dit leidt ertoe dat cliënt pas eerst na positieve uitkomst van een zogeheten Eigen Verklaring-procedure met daarbij behorend geschiktheidsonderzoek door een psychiater of arts in aanmerking kan komen voor het halen van een nieuw rijbewijs.
Een ongeldig rijbewijs zal voor cliënt tot - zeker in het licht van het feit dat het slechts om een snorfiets ging - onevenredig zware gevolgen leiden. Cliënt is werkzaam als buschauffeur op freelancebasis, waarmee de noodzaak van zijn rijbewijs reeds gegeven is. Daarnaast maakt de gezondheidstoestand van zijn partner de noodzaak van zijn rijbewijs nijpend. Als gevolg van een lysosoom en borstkanker, waar de partner veelvuldig bestralingen voor heeft moeten ondergaan, is de partner van cliënt geheel afhankelijk van zijn zorg. Cliënt voorziet in de dagelijkse boodschappen en heeft hiervoor zijn rijbewijs nodig aangezien zij op een afgelegen plek wonen die beperkt met het openbaar vervoer bereikbaar is en bovendien na 18.00 uur helemaal géén openbaar vervoer komt. Zonder rijbewijs zouden niet alleen cliënt zelf maar tevens zijn vrouw daarom in een zeer benarde positie komen te verkeren omdat zij in geval van calamiteiten zich niet snel naar het ziekenhuis kunnen begeven. Voorts geldt dat de aan het psychiatrisch onderzoek en het halen van een nieuw rijbewijs (zowel theorie- als praktijkexamen) verbonden kosten, een zeer forse investering voor cliënt inhouden, die hij als enige, niet royale, kostwinnaar niet zal kunnen dragen.
De ongeldigverklaring van het rijbewijs an sich is al een zeer ingrijpende maatregel en moet wat de verdediging betreft op zichzelf bezien al als straf ('criminal charge') worden gezien. Maar voornoemde persoonlijke omstandigheden van cliënt maken dat de recidiveregeling in zijn geval wel tot dermate zwaarwegende, onredelijke en buitenproportionele gevolgen leidt, dat de recidiveregeling in ieder geval in dat licht, in zijn geval neerkomt op 'criminal charge'. Om die reden is sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Dit licht ik nader toe.
Ne bis in idem
Het ne bis in idem-beginsel is neergelegd in zowel nationaal als internationaal strafrecht (artikel 68 SrPro en artikel 14, zevende lid van het IVBPR). Bij de vraag of sprake is van een dubbele bestraffing, is allereerst de vraag of sprake is van een bestraffing, ook wel 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Cliënt stelt zich zoals gezegd op het standpunt dat de gevolgen van de recidiveregeling zoals de met het onderzoek en opnieuw moeten afrijden gepaard gaande kosten, als criminal charge moeten worden beschouwd. Ik verwijs naar de bij u wel bekend veronderstelde rechtspraak op het gebied van het alcoholslotprogramma, in het bijzonder de uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434). Daarin wordt overwogen dat de gevolgen van het opleggen van het alcoholslotprogramma en de van het instellen van een strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties in hoge mate overeenkomen, nu beide kunnen leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en oplegging van een wezenlijke betalingsverplichting. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van rijden onder invloed van alcohol in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, in die gevallen waarin verdachte op grond van datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen volgens de Hoge Raad immers meebrengen dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging tot gevolg heeft.
De rechtsgevolgen van de recidiveregeling zijn vergelijkbaar met die rondom het alcoholslotprogramma, nu de recidiveregeling net als het alcoholslotprogramma tot torenhoge kosten en tot ongeldigheid van het rijbewijs (bij niet-deelname) kan leiden. Ook hier geldt daarom dat zowel de strafrechtelijke vervolging als het gevolg (onvermijdelijk, want van rechtswege) op grond van de recidiveregeling kunnen leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en een wezenlijke betalingsverplichting. Ook ten aanzien van de rechtsgevolgen van de recidiveregeling moet derhalve worden geconcludeerd dat sprake is van criminal charge. Dit betekent dat er nog eens een bestraffing op grond van de recidiveregeling 'bovenop' een bestraffing in deze zaak komt, hetgeen een dubbele bestraffing ten gevolge van één en hetzelfde feit inhoudt en dus strijdig is met het ne bis in idem-beginsel.
Niet-ontvankelijkheid OM
De vraag is nu hoe de situatie in deze zaak juridisch beoordeeld moet worden, met name omdat het rechtsgevolg van de recidiveregeling pas in werking treedt ná een veroordeling van cliënt. Van schending van het ne bis in idem-beginsel zal dus pas sprake zijn in de toekomst. U zou als Hof natuurlijk de ogen kunnen sluiten voor toekomstige, uit niet-specifiek-strafrechtelijke regelgeving voortvloeiende gevolgen. Het rechtsgevolg is in geval van een strafrechtelijke veroordeling echter onafwendbaar, nu artikel 123b WvW het verlies van geldigheid van rechtswege bepaalt en er dus bijvoorbeeld geen beoordelingsruimte meer is voor een bestuursorgaan als het CBR om anders te beslissen. Een mogelijkheid om dit rechtsgevolg in het concrete geval van cliënt aan de kaak te stellen en aan te vechten, bestaat, anders dan hier nu bij u, daarom niet. Ik besef dat mijn bezwaar zich eigenlijk richt tegen de regelgeving en dus tegen de wetgever, maar ook ten aanzien van het alcoholslotprogramma is gebleken dat de enige manier om een en ander in beweging te krijgen, de route van de rechtspraak in concrete zaken was. Uit de rechtspraak omtrent het alcoholslotprogramma volgt dat uit verschillende regelgeving voortvloeiende rechtsgevolgen in rijbewijsgerelateerde zaken nu eenmaal dermate verweven kunnen zijn, dat het één simpelweg niet los kan worden gezien van het ander. Uw ogen daarvoor sluiten, zou daarom niet rechtvaardig zijn.
In dit verband wordt tevens aansluiting gezocht bij bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015, waaruit volgt dat het vervolgingsbeletsel eveneens geldt gedurende een tegen de oplegging van het alcoholslotprogramma lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Ook in dat geval is sprake van een toekomstig gevolg, waarbij het zelfs zo is dat dit slechts om een mogelijk gevolg gaat - het bestuursorgaan cq. de bestuursrechter kunnen zich er immers nog over uitlaten - terwijl in casu van onzekerheid over het in te treden gevolg helaas geen sprake is. Hier zou naar analogie met bovengenoemde uitspraak dan dus zéker met het toekomstige gevolg rekening moeten worden gehouden.
Ik bepleit dan ook dat u hier wel degelijk dient te kijken naar en rekening dient te houden met dit onafwendbare gevolg.
Een manier om het intreden van het rechtsgevolg te voorkomen is een vrijspraak, maar gelet op de aanwezige bewijsmiddelen, zou dat oordeel juridisch niet zuiver zijn. Dat is daarom ook niet wat ik u vraag te beslissen. Naar de mening van de verdediging is in dit geval de enige mogelijke rechtvaardige uitspraak een niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het OM had, onder de huidige regelgeving, nooit tot een vervolging van cliënt mogen overgaan, nu daarmee op voorhand vaststond dat het verbod op dubbele bestraffing zou worden geschonden.”
4.3. Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Door de raadsman is aangevoerd - zoals weergegeven in zijn pleitnota - dat kort gezegd sprake is van strijdigheid met het ne bis in idem beginsel en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.
Door een bewezenverklaring van dit feit -verdachte heeft het feit bekend- komt verdachte terecht in de ‘recidiveregeling’ zoals bepaald in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien hij dan voldoet aan de voorwaarden die in die bepaling staan vermeld. Dit betekent dat zijn rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt verklaard. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk als (parttime) buschauffeur en ook omdat zijn vrouw ernstig ziek is. Verdachte en zijn vrouw wonen op een afgelegen plek waardoor zij geen gebruik kunnen maken van openbaar vervoer. Verdachte heeft een smalle beurs en heeft niet de financiële middelen om een nieuw rijbewijs (theorie en praktijk) te halen. Extra zuur is dat verdachte als bestuurder op een snorfiets reed en de recidiveregeling geen onderscheid maakt in het motorrijtuig dat is bestuurd.
De recidiveregeling ‘an sich’ is al ingrijpend en moet wat de verdediging betreft op zichzelf worden bezien als een ‘criminal charge’. Voor verdachte komen daar nog deze genoemde persoonlijke omstandigheden bij, hetgeen leidt tot buitenproportionele gevolgen. In zijn situatie is er zeker sprake van een ‘criminal charge . In zoverre is er – kort gezegd – een vergelijkbare situatie zoals bij het alcoholslotprogramma (ASP). Het openbaar ministerie zou onder deze omstandigheden niet tot vervolging mogen overgaan en daarom zou het niet- ontvankelijk moeten worden verklaard.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
Anders dan bij het ASP biedt de recidiveregeling van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 geen enkele ruimte voor een belangenafweging, nu de ongeldigverklaring van rechtswege ingaat zodra de voorwaarde (in dit geval een tweede veroordeling binnen de periode van vijf jaar) is vervuld. Het hof ziet in deze wettelijke regeling geen ruimte om daarover anders te oordelen. Van een ‘criminal charge’ bij de recidiveregeling is dan ook geen sprake.
Daarbij komt nog het volgende.
Als het hof de redenering van de geachte raadsman zou volgen en tot een niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou besluiten, dan is de consequentie daarvan dat bij een recidiverende verdachte én het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard én tegelijkertijd de ongeldigverklaring van art. 123b Wegenverkeerswet niet in werking treedt (omdat bij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen veroordeling volgt). Dat kan niet de bedoeling zijn.
Het verweer wordt verworpen en het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.”
4.4. Het middel klaagt onder meer over de juistheid en de begrijpelijkheid van het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat het alcoholslotprogramma ruimte bood voor een belangenafweging. Daarover klaagt het middel mijns inziens terecht. In haar uitspraak van 4 maart 2015 overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State immers het volgende:
“In een substantieel aantal gevallen kan artikel 17 vanPro de Regeling onevenredig uitwerken omdat het asp moet worden opgelegd aan bestuurders indien aan de toepassingsvoorwaarden neergelegd in dat artikel wordt voldaan, zonder dat daarbij rekening kan worden gehouden met hun persoonlijke omstandigheden. De Regeling maakt ten onrechte geen onderscheid tussen gevallen waarin deze ingrijpende gevolgen zich wel en niet voordoen en biedt het CBR evenmin ruimte om in de gevallen waarin deze zich voordoen een geïndividualiseerde afweging te verrichten. Aldus is voor die gevallen in de Regeling de evenredigheid van de opgelegde maatregel onvoldoende gewaarborgd, zodat artikel 17, eerste lid, van de Regeling in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en derhalve onverbindend is.” [1]
4.5. Het oordeel van het hof dat bij de oplegging van het alcoholslotprogramma enige ruimte voor een belangenafweging was, lijkt mij dan ook onjuist, zodat de verwerping van het verweer niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de overweging van het hof dat het niet de bedoeling kan zijn dat bij een recidiverende verdachte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard en tegelijkertijd “de ongeldigverklaring van art. 123b WVW 1994 niet in werking treedt”, mijns inziens de verwerping van het verweer niet zelfstandig kan dragen. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
4.6. Het is echter de vraag of dat tot cassatie moet leiden omdat de stelling die in het middel centraal staat, namelijk dat het verlies van geldigheid van het rijbewijs ingevolge art. 123b WVW 1994 op gespannen voet staat met het aan art. 68 SrPro ten grondslag liggende beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor hetzelfde feit, naar mijn mening niet op gaat. Ik zal dat hierna toelichten.
4.7. Het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer is gebaseerd op het ne bis in idem-beginsel en daarbij is een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 met betrekking tot het alcoholslotprogramma. In dat arrest overwoog de Hoge Raad – voor zover hier van belang – het volgende:
“4.2. Het gaat in de onderhavige zaak naar de kern genomen om het antwoord op de vraag of de omstandigheid dat het CBR aan een bestuurder een asp heeft opgelegd omdat hij heeft gereden onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcoholhoudende drank dat een bepaalde drempelwaarde in het adem- of bloedalcoholgehalte is overschreden, gevolgen heeft voor de strafrechtelijke vervolgbaarheid van diezelfde gedraging.
4.3.1. Art. 68 SrPro is op het onderhavige geval niet van toepassing, omdat niet sprake is van - kort gezegd - meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter.
4.3.2. Er bestaat echter een sterke gelijkenis tussen de strafrechtelijke vervolging in gevallen als het onderhavige en de procedure die leidt tot oplegging van een asp, welke gelijkenis blijkt wanneer op de onderhavige situatie de vergelijkingsfactoren worden toegepast die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld ten behoeve van de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 SrPro en art. 313 SvPro (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394). Een dergelijke vergelijking leidt tot de slotsom dat enerzijds de procedure die leidt tot oplegging van het asp en anderzijds de strafrechtelijke vervolging hun oorsprong vinden in hetzelfde feit als in die rechtspraak bedoeld. De aan de betrokkene verweten gedraging is immers identiek, te weten (nader bepaalde gevallen van) rijden onder invloed, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid.
Daarnaast geldt dat voor de betrokkene de gevolgen van het opleggen van het asp en de van het instellen van een strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties in hoge mate overeenkomen, nu beide voor de betrokkene kunnen leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en oplegging van een wezenlijke betalingsverplichting.
Aldus komt naar voren dat zich hier een uitzonderlijke - van andere gevallen waarin een bestuursrechtelijk en een strafrechtelijk traject samenlopen, afwijkende - situatie voordoet die op gespannen voet staat met het, aan art. 68 SrPro ten grondslag liggende, beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.
4.3.3. Hoewel het, hiervoor onder 3 sub (iii) weergegeven, internationale kader in een geval als het onderhavige niet van toepassing is, kunnen aan dit kader en de daarbinnen ontwikkelde rechtspraak elementen worden ontleend die voor de beantwoording van de hiervoor in 4.2 gestelde vraag van belang zijn. Dat kader benadrukt het internationaal breed erkende belang van het ne bis in idem-beginsel (vgl. in die zin ook voornoemd arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011), en brengt aldus tevens de gelding van het aan art. 68 SrPro ten grondslag liggende beginsel tot uitdrukking.
Van bijzondere betekenis daarbij is dat in internationaal verband niet zonder meer doorslaggevend is of de nationale wetgever een sanctie als bestuursrechtelijk of als strafrechtelijk heeft aangemerkt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de beslissing van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 13 december 2005 (73661/01, Nilsson vs. Zweden), waarin in het kader van art. 4 vanPro het Zevende Protocol bij het EVRM een bestuursrechtelijke schorsing van de rijbevoegdheid van 18 maanden vanwege de ernst ervan als een 'criminal sanction' werd gezien. Uit diezelfde rechtspraak komt ook naar voren dat het EHRM bij de beoordeling of art. 4 vanPro het Zevende Protocol is geschonden, groot belang toekent aan de vraag of sprake is van een 'sufficiently close connection' tussen de betrokken procedures. Indien sprake is van een dergelijke samenhang, kan het gevolg daarvan zijn dat de beide procedures moeten worden beschouwd als één samenhangende reactie op het strafbare feit en niet als twee verschillende procedures in de zin van art. 4 vanPro het Zevende Protocol (vgl. ook EHRM 20 mei 2014, 11828/11, Nykänen vs. Finland).
4.3.4. Het voorgaande stelt in het licht dat de wetgever – anders dan met betrekking tot bijvoorbeeld de bestuurlijke boete en de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften – de samenhang tussen de procedure die leidt tot de oplegging van het asp en de strafvervolging niet heeft geregeld en daarmee geen regeling heeft getroffen die bepaalt hoe de strafrechter in die gevallen waarin het asp is opgelegd, dient om te gaan met de samenloop van die maatregel en de in de strafzaak te nemen beslissingen op het gebied van de procedurele afstemming, de vervolgbaarheid en/of de mogelijke verdiscontering van het gewicht van het opgelegde asp in de sanctietoemeting.
4.4. Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen – en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.
Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure.” [2]
4.8. In de kern komen deze overwegingen van de Hoge Raad erop neer dat indien er naar aanleiding van eenzelfde feit twee procedures worden ingesteld, een strafrechtelijke en een bestuursrechtelijke, met sterk gelijkende gevolgen, in uitzonderlijke gevallen de beginselen van een goede procesorde kunnen meebrengen dat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit. Dat is anders als er sprake is van een zodanige samenhang tussen de twee procedures dat deze kunnen worden beschouwd als één samenhangende reactie op het feit en niet als twee verschillende procedures.
4.9. De vraag is of in casu sprake is van twee verschillende procedures naar aanleiding van hetzelfde feit. Met andere woorden of het bij de in art. 123b WVW 1994 neergelegde recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten gaat om een tweede procedure die eveneens het karakter heeft van een criminal charge, naast de strafrechtelijke procedure. Thans luidt art. 123b WVW 1994 – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Onverminderd de artikelen 123, eerste lid, en 123a verliest een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van:
a. artikel 6, voor zover de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in:
1°. artikel 8, eerste lid, dan wel voor zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
2°. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, en het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed, dan wel voor zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid;
3°. artikel 8, vijfde lid, dan wel voor zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, zesde, achtste of negende lid;
b. artikel 8, eerste lid;
c. artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed;
d. artikel 8, vijfde lid, of
e. artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid,
een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van
1°. artikel 6, voor zover de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, dan wel voor zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid,
2°. artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid,
3°. artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.
(…)”
4.10. Deze bepaling, op grond waarvan bij het onherroepelijk worden van een tweede veroordeling van de daarin aangegeven bepalingen van de WVW 1994 binnen vijf jaar het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig wordt, vergt anders dan het geval was bij het alcoholslotprogramma geen afzonderlijk besluit en evenmin een procedure.
4.11. Dat blijkt ook uit de uitvoeringspraktijk zoals die is weergegeven in het rapport Evaluatie Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten. Dat rapport houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“147 Het proces start bij de constatering van het strafbare feit door de politie. Die maakt hiervan proces-verbaal op en stuurt dit door naar het OM. (…)
(…)
148 Het OM beoordeelt de zaak om te bepalen of deze moet worden afgedaan met behulp van een strafbeschikking of aan de rechter moet worden voorgeleid, danwel dient te worden geseponeerd of voor aanvulling aan de politie moet worden teruggestuurd. Bij de beoordeling wordt ook geregistreerd of, als het vonnis onherroepelijk wordt, sprake is van een ‘puntwaardig delict’. Dat wordt dan in GPS, het registratiesysteem van het OM, geregistreerd. Als sprake is van een tweede overtreding na het onherroepelijk worden van het vonnis, wordt een zaak die mogelijk tot een tweede punt kan leiden in principe altijd aan de rechter voorgelegd.
(…)
150 Als de verdachte ook voor het tweede feit wordt veroordeeld en het vonnis onherroepelijk wordt, wordt dit door het OM geregistreerd. Het OM controleert of is voldaan aan de voorwaarden voor zowel het eerste als tweede punt (…). Als dat het geval is, wordt de toepasselijkheid van de recidiveregeling door de rijbewijsadministratie van het OM geregistreerd in het rijbewijzenregister van de RDW.
151 Daarnaast stuurt het OM een brief uit naar de betrokkene die in persoon moet worden betekend. In de brief (…) staat onder andere vermeld dat de recidiveregeling van toepassing is en wat de gevolgen zijn als de betreffende persoon toch gaat rijden. Daarnaast wordt aangegeven dat het rijbewijs moet worden opgestuurd naar de RDW en hoe het rijbewijs eventueel weer kan worden verkregen. Ook als tevens een OBM is opgelegd, wordt de brief gestuurd op het moment dat het CVOM heeft geconstateerd dat het tweede punt terecht is toegekend.
152 De RDW verwerkt de gegevens in het systeem. De RDW registreert ook of het rijbewijs is ingeleverd door de betrokkene. De informatie wordt uitgewisseld met het CBR. Zo wordt voorkomen dat iemand die onder de recidiveregeling valt zomaar een nieuw rijbewijs kan aanvragen.” [3]
4.12. Gelet op het vorenstaande meen ik dat bij het onherroepelijk worden van een veroordeling die tot gevolg heeft dat het rijbewijs op grond van art. 123b WVW 1994 van rechtswege ongeldig wordt geen sprake is van twee afzonderlijke procedures naar aanleiding van ‘hetzelfde feit’ zoals bedoeld in art. 68 SrPro en zich hier dus geen situatie voordoet die op gespannen voet staat met het aan dit artikel ten grondslag liggende beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit. [4]
4.13. Anders dan in het hiervoor aangehaalde arrest van 3 maart 2015 is in casu geen sprake van twee proceduresdie hun directe oorsprong vinden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.
4.14. Het vorenstaande brengt mij tot de conclusie dat hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2017 heeft aangevoerd niet kan leiden tot de door hem bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, zodat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen.
4.15. Het middel is gegrond, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622, AB 2015/160, m.nt. Stijnen, rov. 5.4.
3.M. Goedvolk, M. Doumen & A. Walberg, Evaluatie Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten, Barneveld: Significant 2015, p. 44-45.
4.Zie voor de vraag of de regeling van art. 123b WVW 1994 kan worden aangemerkt als criminal charge de conclusie die ik vandaag neem in de zaak met het nummer 17/02688 (ECLI:NL:PHR:2018:1090) die eveneens betrekking heeft op art. 123b WVW 1994.