Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met een gevoerd verweer geen rekening heeft gehouden met de verbeurdverklaring van een bedrag van € 300.490,- in de hoofdzaak van de medeveroordeelde [betrokkene 1] .
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Wordt in zo een geval tevens de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.” [4]
daadwerkelijkheeft behaald als gevolg van het delict dat ten grondslag ligt aan de schatting van het voordeel. [5] Dat wil dus zeggen: de maatregel is gericht op de ontneming van niet minder en niet méér dan dat voordeel.
allegevallen waarin een in beslag genomen voorwerp dat door middel van of uit de baten van een strafbaar feit is verkregen en dat op grond van artikel 33a lid 1 onder a Sr wordt verbeurdverklaard, de waarde van dit voorwerp in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting? Die vraag stel ik omdat niet in al die gevallen steeds wordt tekortgedaan aan de ratio van de ontnemingsmaatregel.
anderestrafbare feiten dan het strafbare feit waarop de verbeurdverklaring (overeenkomstig artikel 33a lid 1 onder a Sr) is gegrond;
nietcorrespondeert met het voordeel dat is belichaamd in het verbeurdverklaarde voorwerp.
ookten grondslag is gelegd aan de ontnemingsmaatregel, terwijl de berekening van het door dat feit verkregen voordeel uitwijst dat het verbeurdverklaarde geld bij de ontnemingsmaatregel
nietin aanmerking is genomen. In een kasopstelling bijvoorbeeld wordt in beslag genomen en aan de betrokkene toebehorend contant geld doorgaans verdisconteerd onder de post ‘eindsaldo contanten’. Hoe hoger dat bedrag, hoe meer geld de betrokkene zal hebben te verantwoorden. Uit het financieel rapport kan eventueel worden opgemaakt dat het (later verbeurdverklaarde) contante geld al dan niet in de kasopstelling is verwerkt. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan niet worden volgehouden dat vanwege de verbeurdverklaring aan de betrokkene tweemaal hetzelfde voordeel wordt ontnomen. Naar strikte lezing van de zo-even geciteerde overweging van de Hoge Raad moet de waarde van het verbeurdverklaarde voorwerp in zo’n geval echter wel in mindering worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting.
andervoordeel dan het voordeel tot ontneming waarvan de maatregel strekt.
nietonder de betrokkene in beslag genomen, maar onder zijn medeveroordeelde [betrokkene 1] . Het is verbeurdverklaard in
zijn, [betrokkene 1] , strafzaak. Het hof heeft (in die zaak én in de voorliggende zaak) vastgesteld dat dit bedrag aan contant geld onderdeel is van een bedrag van € 500.000,- aan contanten dat in zijn geheel toebehoort aan de betrokkene. Bovendien is het bedrag van € 500.000,- volgens de vaststellingen van het hof door de betrokkene wederrechtelijk verkregen uit de door hem verrichte illegale medicijnenhandel. [betrokkene 1] heeft ‘slechts’ op verzoek van de betrokkene geld weggehaald (uit de woning van de moeder van de betrokkene) om dat geld elders voor de betrokkene te bewaren. [betrokkene 1] is door het hof bij arrest van 19 juli 2018 veroordeeld voor witwassen met betrekking tot dit geldbedrag.
nietvan toepassing. [6] Ik meen echter dat ook hier de ratio van de ontnemingsmaatregel de doorslag moet geven. Het geeft – vanwege het reparatoire karakter van de maatregel – geen pas om hetzelfde voordeel tweemaal te ontnemen. Dat het hem toebehorende geldbedrag niet onder de betrokkene in beslag is genomen en niet in de strafzaak van de betrokkene is verbeurdverklaard (zulks bijgevolg ook nog op een andere dan de in artikel 33a lid 1 onder a Sr genoemde grond), lijkt me – onder de door het hof vastgestelde omstandigheden – van ondergeschikt belang.
longa manuvan het geld aan [betrokkene 1] wellicht beschouwd als een uitgave van contant geld (en onder die noemer in de kasopstelling opgenomen)? Of mag ik zonder een blik achter de papieren muur aannemen dat het verbeurdverklaarde geldbedrag buiten de kasopstelling is gebleven? In dat laatste geval is het verzoek tot vermindering – wat mij betreft – gedoemd te mislukken. De antwoorden vergen echter feitenonderzoek, waarvoor in cassatie geen ruimte is.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.