Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
De betrokkene werd door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en gekwalificeerde diefstal. Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €17.219,78 en legde een betalingsverplichting op, maar bracht het verbeurdverklaarde bedrag van €5.020,- niet in mindering.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van de wetsgeschiedenis bij de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming ook verbeurdverklaarde voorwerpen die als opbrengst van een strafbaar feit kunnen worden aangemerkt, in mindering moeten worden gebracht op de betalingsverplichting. Het oordeel van het hof dat dit niet hoefde, is daarom onjuist en onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling. De zaak betreft de toepassing van de artikelen 33a en 36e van het Wetboek van Strafrecht en de uitleg van de verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring.
De uitspraak benadrukt het belang van een juiste verrekening van verbeurdverklaarde bedragen bij het vaststellen van de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de verrekening van het verbeurdverklaarde bedrag.