Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen van een minderjarige. Het hof had geoordeeld dat de beelden, waarop de minderjarige in een badkamer werd gefilmd met de camera gericht op zijn ontblote geslachtsdelen, onmiskenbaar een seksuele gedraging bevatten zoals bedoeld in art. 240b Sr.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor seksuele gedragingen in het kader van art. 240b Sr, waarbij niet alleen expliciet seksuele handelingen maar ook beelden die door de wijze van totstandkoming een seksuele prikkeling beogen, onder deze strafbepaling vallen. De beelden waren gemaakt zonder medeweten van de minderjarige, die zich in een onschuldige context bevond, maar de positie van de camera en het gedrag van de verdachte maakten duidelijk dat het doel was seksuele prikkeling op te wekken.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had toegepast en bevestigde het oordeel dat de beelden seksuele gedragingen bevatten. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 100 naar 95 uur, met een evenredige vermindering van de vervangende hechtenis. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van beelden en vermindert taakstraf wegens termijnoverschrijding.