Conclusie
Wyeth/ […] c.s.) [1] en hangt tevens samen met zaak 18/05551 (
Wyeth/ […]). Ik concludeer vandaag in alle drie die zaken.
1.Feiten
Wyeth), had in de voor dit geding relevante periode in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Daar werden onder meer orale anticonceptiepillen geproduceerd, waarbij het synthetische hormoon medroxy progesteron acetaat (hierna:
MPA) werd gebruikt. Onderdeel van het productieproces betrof het coaten van de geneesmiddelen met een suikerhoudend laagje. Dit productieproces leidde tot twee afvalstromen: suikerwater zonder en suikerwater met MPA. MPA wordt beschouwd als een groeihormoon. Om die reden heeft de Europese Unie het gebruik ervan in de veehouderij verboden. [3]
Integrated Pollution Prevention and Control licence(hiema:
IPC-vergunning) van de Ierse overheid. Ingevolge deze vergunning was Wyeth bevoegd maar tevens gehouden haar suikerwaterafval te verwerken conform de nationale en internationale regelgeving ter zake van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen (hierna:
EVOA). [4]
Cara) is een Ierse afvalmakelaar. Cara heeft vanaf 1997 in opdracht van Wyeth verwijdering van het als
non-hazardousgekwalificeerde suikerwater zonder MPA verzorgd. De in verband met de hormoonvervuiling als
hazardousgekwalificeerde stroom suikerwater werd indertijd naar het Verenigd Koninkrijk en naar Duitsland overgebracht voor verwijdering.
Bioland) in Arendonk (België), een fabrikant van onder andere limonade. In oktober van dat jaar heeft Wyeth in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Cara een
audituitgevoerd bij Bioland met het oog op de levering van suikerwater zonder MPA.
[C]), behorend tot de [A-groep] , op de hoogte gesteld van het aangeboden suikerwater. [C] heeft diverse partijen suikerwater (met MPA) afgenomen van Bioland en een deel daarvan doorverkocht aan verweerster in cassatie, Rined Fourages B.V. (hierna:
Rined).
Good Manufacturing Practices. Op grond van de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2000 konden bedrijven zich aanmelden bij het PDV voor diverse GMP-erkenningen en een HACCP-erkenning, tezamen GMP+. Onderdeel van de erkenningsregeling was de GMP-code diervoedersector waarin voorwaarden met betrekking tot basiskwaliteit waren gespecificeerd. Het is onder de GMP-regeling niet toegestaan suikerwater, een afvalstof uit de farmaceutische industrie, te verwerken in veevoer.
2.Procesverloop
de rechtbank) heeft bij vonnis van 23 april 2014 de vorderingen van Rined afgewezen op de grond dat het eigenschuld-verweer van Wyeth en Cara slaagt. Volgens de rechtbank moest de schade in de verhouding tussen partijen geheel voor rekening van Rined blijven. [5]
het hof) heeft in zijn arrest van 27 november 2018 de beslissing van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat Wyeth en Cara onrechtmatig jegens Rined hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50 % van de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het feit dat aan haar (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd. Het hof heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. [6]
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
onder 1.1in de kern aan dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijk milieu in de zin van art. 3 lid 2 WCOD Pro noodzakelijk is dat deze daad
rechtstreeksschade veroorzaakt. Indien zich in de causale keten tussen de daad en de schade een of meer noodzakelijke schakels bevinden die bestaan uit (onrechtmatig) menselijk handelen, is geen sprake van schadelijke inwerking als bedoeld in art. 3 lid 2 WCOD Pro.
Onder 1.2klaagt het middel dat indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat de schadelijke inwerking van het aan Wyeth verweten onrechtmatig handelen in Nederland is te lokaliseren.
lex loci delicti). Het tweede lid geldt als uitzondering op de hoofdregel. Het bepaalt dat de toepassing van de
lex loci delictiachterwege blijft in het geval van een meervoudige locus, waarbij de onrechtmatige handeling in de ene staat wordt verricht (
Handlungsort) en de schade in een andere staat is opgetreden (
Erfolgsort). In dat geval is het recht van het
Erfolgsortvan toepassing (
lex loci damni). Aan de toepassing van het recht van het
Erfolgsortis echter, in een ‘tenzij-bepaling’ aan het slot van het tweede lid, een onvoorzienbaarheidsexceptie gekoppeld: indien de dader redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat zijn daad in het
Erfolgsortzou inwerken, blijft toepassing van het recht van de
lex loci damniachterwege. Het ligt op de weg van de dader daarvan bewijs te leveren.
place of injury’zoals gebruikt in art. 4 van Pro het Haagse Produktenaansprakelijkheidsverdrag van 1973. [9]
Erfolgsort) moet volgens het arrest
Dumez Franceworden uitgelegd als “
de plaats waar het veroorzakende feit dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meebrengt, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd”. [11] Zoals het middel terecht betoogt, geldt dit ook voor de uitleg van art. 3 lid 2 WCOD Pro.
Dumez Francevolgt dat het vereiste van een ‘rechtstreeks verband’ tussen het onrechtmatig handelen en de daardoor geleden schade ziet op het onderscheid tussen initiële schade en gevolgschade. [12] Anders dan het middel ingang wil doen vinden, is niet vereist dat zich tussen het verweten handelen en de schade geen noodzakelijke schakels bevinden die bestaan uit menselijk handelen. Onder de regels van Nederlands internationaal privaatrecht die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van de WOCD, was dat overigens niet anders. [13]
auditrapport biedt daarvoor in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten.
hazard identification” is vermeld was de kans dat als gevolg van de door hen gekozen wijze om zich van de afvalstroom te ontdoen schade zou ontstaan, niet alleen aanwezig maar zodanig groot dat Wyeth en Cara naar maatstaven van zorgvuldigheid daartoe niet op de reeds besproken wijze hadden mogen overgaan.
.(Zie in dit verband - bijvoorbeeld -artikel 34 EVOA Pro oud en voorts de uitvoerige verslaglegging
environmentalen
waste managementin haar
annual environmental report, productie 40 van Rined in hoger beroep). Een dergelijk verantwoordelijkheid volgt ook uit haar IPC vergunning. Dat Wyeth zich hiervan ook bewust was, volgt uit haar betrokkenheid bij de in oktober 1999 verrichte
audit.Uit de door Rined als onderdeel van productie 68 in hoger beroep overgelegde internationale vrachtbrief blijkt voorts dat Cara bij het vervoer als “
sender's agent” optrad, terwijl ook uit de door Rined in het geding gebrachte IPC
Application Formmet bijlage, het van Wyeth afkomstige stuk ‘
Waste Disposal Arrangements” en het persbericht van EPA (respectievelijk producties 29, 34 en 9 van Rined in hoger beroep) valt op te maken dat Cara bij de afvalverwijdering een bemiddelende rol (als
broker) vervulde en de betrokkenheid van deze laatste derhalve de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Wyeth ter zake van de uiteindelijke wijze van verwijdering van de afvalstroom niet wegneemt.”
audit. Cara vervulde volgens het hof een bemiddelende rol en de betrokkenheid van Cara neemt de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Wyeth niet weg.
onder 2.2.2betoogt, vormt dat niet een onvoldoende begrijpelijke motivering, temeer daar het hof in rov. 3.5.11 in aanvulling daarop heeft overwogen dat die verantwoordelijkheid niet is weggenomen door het inschakelen van een afvalmakelaar. De overweging van het hof dat Cara een bemiddelende rol speelde (als
broker/agent) is, anders dan het middel
onder 2.3betoogt, niet onbegrijpelijk, daar het hof in zijn overweging betrekt dat Wyeth betrokken is gebleven bij de verwijdering van het afval gezien haar rol in de in oktober 1999 verrichte
auditen gelet op de door het hof in het laatste deel van rov. 3.5.11 genoemde stukken waaruit die bemiddelende rol van Cara blijkt.
Melchemie/Delbanco [15] had moeten aangeven hoe groot het gevaar hier was, gegeven de inschakeling van een derde.
Melchemie/Delbancouit 2011 gaat het, kort gezegd, over de opslag van gevaarlijke stoffen. Melchemie slaat bij CMI chemische stoffen op en is ervan op de hoogte dat CMI de chemische stoffen in strijd met veiligheidsvoorschriften opslaat. Door een overslaande brand ontstaan in de loods waar de chemische stoffen zijn opgeslagen, gaat een partij paardenhaar in de ernaast gelegen loods geheel verloren. De eigenaar van het paardenhaar spreekt Melchemie met succes aan. Uitgangspunt is dat op Melchemie niet op de enkele grond dat zij de opslag van haar chemische stoffen heeft uitbesteed aan CMI de verplichting kwam te rusten om te controleren of CMI zich hield aan de voorschriften die toentertijd golden voor opslag van die stoffen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in die zaak echter onvoldoende gemotiveerd geoordeeld had dat Melchemie onrechtmatig had gehandeld, nu het niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. [16]
broker/agent. In zoverre gaat de vergelijking met de zaak
Melchemie/Delbancomank.
Material Safety Data Sheet(MSDS), waarnaar het in rov. 3.5.4 heeft verwezen, omdat die MSDS dateert van tien jaar na dat handelen en afweek van de door Wyeth in het geding gebrachte MSDS.
‘safety data sheet’ betreffende MPA, zoals die op 7 april 2000 door Wyeth aan Cara is toegestuurd, die de ‘
possible risk of irreversible effects’ noemt; en (iii) de verklaring van Trebble van Wyeth in zijn verhoor door de Ierse nationale recherche dat hij het afval als gevaarlijk beschouwde. Op grond hiervan kon het hof tot het oordeel komen dat Wyeth zich bewust moet zijn geweest van de gevaren. Het hof heeft derhalve niet miskend dat bepalend is of de aangesprokene het gevaar kende of behoorde te kennen, en niet wat zich achteraf over gevaren laat vaststellen. In zoverre is, in tegenstelling tot hetgeen het middel onder 2.4.2 aanvoert, evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd dat de daad te wijten is aan de schuld van Wyeth.
‘proposed to’) de afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen en omdat het voor Wyeth onmogelijk was om kennisgevingen te doen omdat Cara hiervoor de benodigde gegevens had en Cara hiervoor dus zorg diende te dragen.
Pedersen, waarin is geoordeeld dat deze zinsnede ruim moet worden uitgelegd. Ook een erkende inzamelaar of een geregistreerde of erkende handelaar of makelaar kan als kennisgever worden toegelaten. [17] Het is juist dat genoemd arrest bevestigt dat het onpraktisch of onredelijk zou zijn om alleen de producent van het afval als kennisgever toe te laten. Het arrest moet echter in zijn context worden gezien. De zinsnede ‘indien dat niet mogelijk is’ leverde voorheen vooral een probleem op als anderen dan de afvalproducent de kennisgeving
wildendoen en daarvoor niet werden toegelaten.
auditheeft vastgesteld over welke apparatuur Bioland beschikte en dat een door haar ingeschakelde deskundige heeft geconcludeerd dat met deze apparatuur het suikerwater met MPA kon worden verwerkt. Zij heeft een algemeen (tegen)bewijsaanbod gedaan en ook specifiek getuigenbewijs aangeboden voor het horen van deze deskundige. Het middel klaagt
onder 2.6 a)dat het hof in rov. 3.5.10 onjuiste, te hoge eisen heeft gesteld aan de stel- en motiveringsplicht van Wyeth, en
onder 2.6 b)dat niet valt in te zien waarom het standpunt niet voldoende is onderbouwd.
Onder 2.7voert het middel vervolgens aan dat het hof bovendien heeft miskend dat tegenbewijs vrij staat (art. 151 lid 2 BW Pro) en tevens dat het hof op grond van art. 166 Rv Pro gehouden was een getuigenverhoor te bevelen.
audit-rapport in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te kunnen nemen dat Bioland wél in staat was tot deugdelijke verwerking van met MPA verontreinigd suikerwater. In rov. 3.5.9 heeft het hof over het
audit-rapport het volgende overwogen:
business experience” is slechts specifiek vermeld dat deze is opgedaan in de appel- en perensapindustrie, op de laatste pagina is vermeld dat de eigenaren omtrent de herkomst van het verder door hen verwerkte materiaal geen mededeling wilden doen doch dat het geen “
rinse water from tablet coating processes” betrof. Uit het rapport blijkt voorts dat geen sprake was van op schrift gestelde “
standard operating procedures” en dat het bedrijf geen openheid van zaken wilde geven over gebruikte technologieën.
local authority permit to operate exists” en dat een kopie daarvan zou worden afgegeven aan Cara. Uit de eerst op 22 maart 2001 door de Provincie Antwerpen afgegeven milieuvergunning (productie 11 van Rined in hoger beroep) blijkt dat deze is afgegeven met het oog op “de productie van mengstropen vertrekkende van schadesuikers”; dat daarmee tevens de verwerking van farmaceutisch afval als het onderhavige zou zijn bedoeld, vindt in de tekst van de vergunning geen enkele steun.”
audit-rapport geen enkele indicatie bevat dat Bioland verstand had van de verwerking van het afvalsuikerwater. Het hof kon daarom voorbijgaan aan de stelling van Wyeth dat Bioland over de juiste apparatuur beschikte en behoefde geen getuigenverhoor te bevelen.
Onder 3.2betoogt het middel dat voor zover het hof is ingegaan op dit verweer in rov. 3.7.1-3.8 alwaar het hof een oordeel heeft gegeven over de eigen schuld van Rined, het heeft miskend dat het vraagstuk van eigen schuld dient te worden onderscheiden van de kwestie of een eiser zich door eigen gedrag aan de door de geschonden norm geboden bescherming heeft onttrokken.
onder 3.2neerkomt op het adagium
In pari delicto potior est condicio defendentis:bij gelijke onbetamelijkheid is de situatie van de gedaagde sterker. In feitelijke instanties heeft Wyeth daaromtrent het volgende gesteld.
in-pari-delicto-verweer kan worden herkend in een aantal arresten van de Hoge Raad. Ik noem kortheidshalve alleen het mij oudst bekende precedent en een relatief recent precedent. [20]
Blitz en Couit 1936 overwogen dat een bedrijf dat niet rechtmatig handelt ten aanzien van zijn handelsnaam niet met succes kan worden aangesproken door een partij die zich aan een gelijke overtreding van de wet schuldig maakt. [21]
[…] /Io Vivatuit 2007 gaat het om een lid van een studentenvereniging die als commissielid een zeilweekend organiseert. De student loopt verwondingen op tijdens het zeilweekend en verwijt de vereniging dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden. De Hoge Raad overweegt dat voor zover sprake is van onvoldoende toezicht, de aldus geschonden norm niet strekt tot bescherming van […] , nu deze zich als (mede)organisator van het zeilweekend zelf ook niet naar deze norm heeft gedragen. [22]
nemo auditur suam turpitudinem allegans(‘hij die zijn eigen onzedelijkheid aanvoert vindt in rechte geen gehoor’),
ex turpi causa non oritur actio(‘uit een onzedelijke oorzaak ontstaat geen rechtsvordering’) en
in pari delicto potior est condicio defendentis(‘bij gelijke onrechtmatigheid is de situatie van de gedaagde sterker’). Zij achten het echter ook mogelijk de beslissingen in verband te brengen met de leer van de ongeschreven rechtvaardigingsgronden of het leerstuk van de rechtsverwerking op grond van redelijkheid en billijkheid. [23] Daarnaast geldt dat ook in andere gevallen dan de situatie dat de eiser
in pari delictoverkeert, diens gedrag van belang kan zijn voor de toetsing aan het relativiteitsvereiste. [24]
in paridelicto-verweer is terug te voeren op de relativiteit van de onrechtmatige daad. Het relativiteitsvereiste is neergelegd in art. 6:162 lid 1 en Pro art. 6:163 BW Pro. Art. 6:162 lid 1 BW Pro vereist dat de daad ‘jegens een ander’ onrechtmatig is en art. 6:163 BW Pro houdt in dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. [25] Volgens vaste rechtspraak komt het bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het relativiteitsvereiste aan op doel en strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. [26] Het relativiteitsvereiste geldt voor alle drie onrechtmatigheidscategorieën van art. 6:162 lid 2 BW Pro (inbreuk op een recht, handelen in strijd met een wettelijke plicht en schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm). [27]
subonderdeel 3.1betoogt, ontoereikend gemotiveerd.
subonderdeel 3.2betoogt, niet miskend dat het vraagstuk van eigen schuld dient te worden onderscheiden van de relativiteit van de onrechtmatige daad. Voor het overige gaat het subonderdeel uit van de onjuiste lezing dat het hof in rov. 3.7.1-3.8 het verweer van Wyeth heeft verworpen, waardoor het subonderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
haargedragingen.
in beginsel(mede) aansprakelijk is.
Onder 4.2.1betoogt het middel dat voor zover het hof meende dat de handelwijze van Rined niet in het kader van art. 6:98 BW Pro aan de orde behoefde te komen, omdat deze handelswijze in het kader van art. 6:101 BW Pro aan de orde komt, dit oordeel onjuist is.
Onder 4.2.2voert het middel aan dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, het hof wat betreft het toerekeningsoordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de schade die mede door de laakbare/roekeloze handelwijze van Rined is veroorzaakt, niettemin aan Wyeth kan worden toegerekend.
subonderdeel 4.2.3uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat het hof de handelwijze van Rined als handelaar in (ingrediënten van) veevoeder niet heeft meegewogen in zijn beoordeling van de toerekenbaarheid van de schade, bouwt het voort op subonderdeel 4.2.1 en 4.2.2 en faalt het om dezelfde redenen.
Onder 5.1.2betoogt het middel voorts dat, mocht het hof hebben geoordeeld dat het door Rined bij pleidooi in eerste aanleg gestelde geen gerechtelijke erkentenis inhield van de stelling van Wyeth dat Rined wist dat het suikerwater een afwijkende kleur had op het moment dat de partij suikerwater in haar silo in De Rips werd gelost, dat onbegrijpelijk is.
en Carahet gevaar voor het ontstaan van de schade in het leven hebben geroepen en daarmee aan de schade hebben bijgedragen.
onder 6.1in de kern dat het hof de verhouding tussen de hoofdzaak en de schadestaatprocedure heeft miskend door definitieve oordelen te geven over de toerekenbaarheid van alle schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en door een oordeel te geven over de mate waarin de schade vanwege eigen schuld voor rekening van Rined blijft enerzijds en door Wyeth (en Cara) vergoed dient te worden anderzijds.
.
Wyeth/ […]) is gericht, het hof in deze zaak de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW Pro kenbaar heeft toegepast.
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
waaromhet hof bij zijn oordeel dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van Rined een onjuist criterium heeft gehanteerd in het kader van het causaal verband en onjuiste aanknopingspunten tot uitgangspunt heeft genomen in zijn oordeel omtrent de toerekening van de eigen schuld. Dat in de schriftelijke toelichting die klacht wordt gemotiveerd is te laat. [34]
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de omstandigheden die aan Rined kunnen worden toegerekend en de schade.
condicio sine qua non-verband bestaat tussen zowel de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade als tussen eigen gedragingen van de benadeelde of van gebeurtenissen (waaronder begrepen gedragingen van derden) die in zijn risicosfeer liggen en de schade. Hierbij is niet vereist dat de gedragingen van de benadeelde invloed hebben gehad op de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Reeds in zoverre faalt de klacht.
condicio sine qua non-verband tussen de omstandigheden en de ontstane schade. Immers, ook ingeval Rined de hormoonvervuiling niet had ontdekt indien zij het suikerwater wél had getest, kan haar evenmin worden toegerekend dat zij zonder wetenschap van de hormoonvervuiling het mengsel aan haar klanten heeft geleverd.
onder 1.4aan dat het oordeel van het hof in rov. 3.7.4 dat Rined laakbaar heeft gehandeld innerlijk tegenstrijdig is met het oordeel in rov. 3.8 dat Rined bedacht had hoeven te zijn op de vervuiling van het product met hormonen en de schadelijke gevolgen daarvan.
de mate van eigen schuldvan Rined.
Onder 4.1betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat de schade is voortgevloeid uit gedragingen van Wyeth die kunnen worden aangemerkt als zelfstandig schadeveroorzakende gebeurtenissen waarop de gedragingen van Rined geen invloed hebben gehad en slechts zien op het niet detecteren van het in het leven geroepen gevaar. Hiermee heeft het hof de causale verdelingsmaatstaf volgens het middel onjuist toegepast.