ECLI:NL:PHR:2020:236

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
13 maart 2020
Zaaknummer
19/01493
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 281 SvArt. 328 SvArt. 331 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing verzoek aanhouding hoger beroep

In deze zaak betreft het een verzoek tot aanhouding van het onderzoek in hoger beroep door een niet-gemachtigde raadsman die alsnog een machtiging wil verkrijgen om de verdediging te voeren. Het hof wees het verzoek af met de motivering dat de dagvaarding correct was betekend en dat het risico bij de verdachte lag.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad oordeelt dat het hof de afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof heeft nagelaten een belangenafweging te maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een spoedige berechting. Tevens is onduidelijk of de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep. De zaak betreft een ontnemingsmaatregel opgelegd door de politierechter, waartegen hoger beroep is ingesteld. De betrokkene was niet verschenen op de zitting in hoger beroep, maar diens raadsman verzocht om aanhouding wegens het ontbreken van een machtiging.

De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering en belangenafweging bij verzoeken tot aanhouding in hoger beroep, met name wanneer het gaat om het aanwezigheidsrecht van de verdachte en de rol van diens raadsman.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende motivering afwijzing verzoek aanhouding en wijst zaak terug voor nieuwe behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01493 P
Zitting17 maart 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 7 maart 2019 de betrokkene met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 maart 2018. Daarbij is de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 28.015,18 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. [1] Mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt de klacht in dat de afwijzing door het hof van het verzoek om aanhouding door de niet op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman om (alsnog) in staat te worden gesteld van de betrokkene een machtiging te krijgen zodat hij namens hem de verdediging kan voeren onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op 2 maart 2018 heeft de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel behandeld. De betrokkene en diens raadsman, mr. P. van de Kerkhof, hebben verweer gevoerd. De politierechter heeft de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd. [2]
(ii) Namens de betrokkene is op 2 maart 2018 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de politierechter.
(iii) Op 17 januari 2019 is tevergeefs gepoogd de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op 21 februari 2019 uit te reiken op het BPR-adres van de betrokkene waarop hij met ingang van 17 april 2018 staat ingeschreven. Op 31 januari 2019 is de oproeping vervolgens aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant betekend en is een afschrift van de oproeping naar het BRP-adres van de betrokkene verzonden. [3]
(iv) Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2019 is de betrokkene niet verschenen. Wel is de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting aanwezig. Hij verzoekt het hof de zaak aan te houden. De raadsman licht het aanhoudingsverzoek als volgt toe:
“Het is mij de afgelopen tijd niet gelukt om in contact te komen met cliënt. Ik heb hem zowel telefonisch als via de mail geprobeerd te bereiken, maar zonder resultaat. Ik heb hem altijd bijgestaan als raadsman. Ik wil graag uitzoeken of ik gemachtigd ben om de verdediging te voeren. De kans is groot dat ik binnenkort wel met hem in contact kan komen.”
(v) De advocaat-generaal heeft daarop geantwoord dat hij zich niet verzet tegen een eventuele aanhouding.
(vi) Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter mee dat het hof het verzoek afwijst. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
“De dagvaarding is namelijk correct betekend en voorts is er niets aangevoerd op grond waarvan de zaak zou moeten worden aangehouden. De veroordeelde is ook in eerste aanleg bijgestaan door mr. Van de Kerkhof. Het is onder deze omstandigheden voor risico van de veroordeelde dat hij de raadsman niet (tijdig) machtigt de verdediging te voeren.” [4]
(vii) Bij uitspraak van 7 maart 2019 heeft het hof met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 maart 2018.
5. Het op 21 februari 2019 ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van mr. Van de Kerkhof tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv Pro, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing (aanhouding) vordert.
6. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279, eerste lid, Sv bedoelde machtiging. Wanneer de rechter het verzoek niet afwijst op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. Daarbij moeten de gronden die aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag zijn gelegd, worden betrokken. [5]
7. In het licht van het voorafgaande, heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Uit de toelichting op het aanhoudingsverzoek door de raadsman komt naar voren dat het aanhoudingsverzoek is gedaan met het oog op het (eventueel alsnog) verkrijgen van een machtiging als bedoeld in art. 279 Sv Pro. Voor zover het hof met de overweging dat de dagvaarding (bedoeld is kennelijk: de oproeping) correct betekend is tot uitdrukking heeft willen brengen dat de aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting, niet aannemelijk is, is dat oordeel niet begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de oproeping in hoger beroep niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt, terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van de datum van de zitting. [6] In de overwegingen van het hof lees ik niet dat het hof de feitelijke grondslag van het aanhoudingsverzoek, te weten dat de raadsman voorafgaand aan de zitting geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen en de kans groot is dat hij binnenkort wel contact met hem zal hebben teneinde een machtiging te verkrijgen, niet aannemelijk heeft geacht. Voor zover dat al anders is, is het oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het hof had bij die stand van zaken de hiervoor onder 6 bedoelde afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het hof heeft er geen blijk van gegeven de vereiste belangenafweging te hebben gemaakt. Dat betekent dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. [7]
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.De akte van cassatie is opgemaakt op 22 maart 2019. De volmacht tot het instellen van beroep in cassatie is op 21 maart 2019 vóór sluitingstijd van de griffie en dus tijdig door de griffie ontvangen.
2.Proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 maart 2018.
3.Akte van uitreiking en Informatiestaat SDKB-persoon van 31 januari 2019 betreffende de betrokkene.
4.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2019.
5.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
6.Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142,
7.Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2020,