Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van oplichting (art. 326 Sr Pro). De verdediging had een dag vóór de terechtzitting een aanhoudingsverzoek per fax ingediend, omdat er geen contact meer mogelijk was met verdachte. Het hof wees dit verzoek zonder enige motivering af.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet heeft gemotiveerd, waardoor niet kan worden vastgesteld of het hof de belangenafweging correct heeft gemaakt. Tevens is niet ingegaan op de gronden waarop het verzoek was gebaseerd.
Op grond van de conclusie van de Advocaat-Generaal acht de Hoge Raad het middel terecht voorgesteld en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing op het hoger beroep, waarbij het aanhoudingsverzoek opnieuw moet worden beoordeeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 2 april 2019.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.