Conclusie
Nummer18/02977
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2.
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en
“medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en 3.
“witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
eerste middelklaagt dat het hof ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief tenlastegelegde heeft volstaan met de opgave van de bewijsmiddelen, terwijl de bekennende verklaring van de verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde zou betreffen. De bekennende verklaring heeft volgens de steller van het middel enkel betrekking op de periode van 15 oktober 2010 tot en met 24 november 2010 en bestrijkt dus niet de gehele bewezenverklaarde periode.
“tijdstippen”in de bewezenverklaring erop duidt dat het hof meerdere kweken heeft bewezenverklaard (schriftuur onder 9), berust dit op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing. Uit de kwalificatie volgt dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat het feit slechts éénmaal is gepleegd. Bovendien wordt de door de verdediging voorgestelde periode volledig in de bewezenverklaarde pleegperiode geabsorbeerd. Gezien deze omstandigheden kan worden aangenomen dat de verdachte geen belang heeft bij cassatie, temeer nu ook in de schriftuur niet wordt ingegaan op het rechtens te respecteren belang van de verdachte bij dit cassatiemiddel. [5]
tweede middelklaagt dat het hof het bewezenverklaarde van het onder 2 tweede cumulatief tenlastegelegde niet uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.
[betrokkene 1] in de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2010 te Doetinchem (telkens) opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, meerdere hennepplanten, en delen daarvan, in het volgende pand
daadwerkelijk heeft bevorderd of vergemakkelijkt. Een
pogingtot medeplichtigheid is als zodanig niet strafbaar gesteld. [8] Voor medeplichtigheid geldt, met andere woorden, een zeker effectiviteitsvereiste. [9] Heel hoog ligt de lat op dit punt echter niet. Zelfs de toezegging dat hulp wordt geboden kan al medeplichtigheid opleveren, nu ook dat ondersteunend kan zijn. De eis dat de medeplichtige ‘een adequate causale bijdrage’ aan het grondfeit moet hebben geleverd, gaat te ver. [10]
kunnenafleiden dat de betrokkenheid van de verdachte bij het gronddelict een voltooide vorm van medeplichtigheid oplevert, te weten de toezegging (door de verdachte aan zijn oom) om bepaalde goederen op te halen (aan te schaffen) en te vervoeren in de richting van de hennepkwekerij(en) waarvoor de goederen kennelijk waren bestemd, alsmede het daadwerkelijke ophalen (aanschaffen) en vervoeren van die goederen. Daaraan doet m.i. niet af dat deze goederen de beoogde (al dan niet in aanbouw zijnde) hennepkwekerij niet hebben bereikt en aldus bezien geen adequate causale bijdrage aan de kweek van hennep hebben geleverd. De eis dat de medeplichtige ‘een adequate causale bijdrage’ aan het gronddelict moet hebben geleverd, gaat immers te ver.
derde middelricht zicht tegen de motivering van het onder 3 bewezenverklaarde witwassen. Dit middel valt eveneens uiteen in vier deelklachten.
een kasopstelling [verdachte] en [betrokkene 6]” met het genoemde bedrag. Zodoende kan worden aangenomen dat er een onjuistheid is geslopen in de bewijsmotivering van het hof.
“geldbedragen”(waarbij de aard ervan door het hof niet nader is gespecificeerd) zijn gebruikt om de huur van de panden te betalen. Hiermee kunnen ook de overige deelklachten niet tot cassatie leiden.
vierde middelklaagt dat het hof ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde (deelneming aan een criminele organisatie) in strijd met artikel 14 IVBPR Pro, artikel 6 EVRM Pro en artikel 301 lid 4 Sv Pro de verklaringen van de medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 2] voor het bewijs heeft gebruikt.
De bewijsmiddelen opgenomen in deze aanvulling onder feit 2 ten aanzien van de hennepplantage aan de [h-straat 1] te Doetinchem;
De bewijsmiddelen opgenomen onder feit 2 in de aanvullingen van de medeverdachten [betrokkene 1] (parketnummer 21-004877-12), [betrokkene 5] (parketnummer 21-004852-12) en [betrokkene 2] (parketnummer 21-004807-12). Een kopie van deze aanvullingen is aan deze aanvulling gehecht.”
In de aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 1] :
In de aanvulling bij het arrest in de zaak van [betrokkene 5] :
13. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland op 6 november 2012, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Ik heb aan de [b-straat 1] te Westervoort gewoond.
U houdt mij de verklaring voor van de buurvrouw van [b-straat 2] . Ik ben degene die de buurvrouw bedoelt, die een café had.
In de aanvulling op het arrest in de zaak van [betrokkene 2] :
“Het zou kunnen dat ik ook voor de [i-straat] te Westervoort een keer de huur heb betaald”.
“De panden waarin de kwekerijen zijn aangetroffen, werden gehuurd (en onderverhuurd) en betaald door verschillende mensen, waaronder verdachte en medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 2] . Zo huurde [betrokkene 1] het pand aan de [i-straat] en werd de huur van dit pand zowel betaald door [betrokkene 1] als [verdachte] . Datzelfde gold voor het pand aan het [a-straat 1] .”Het hof specifieert derhalve niet het aantal maal dat de verdachte de huur van de panden heeft betaald, maar slechts dat hij ten aanzien van beide panden minimaal één keer de huur heeft betaald. Dat oordeel is verenigbaar met beide verklaringen, mede daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte heeft gezegd dat (mijn onderstreping)
“het zou kunnen dat [hij]ookvoor de [i-straat] ”de huur heeft betaald.
vijfde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.