Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof de oplegging van de gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden op onbegrijpelijke gronden heeft gebaseerd, althans doordat deze strafoplegging ontoereikend gemotiveerd is, nu het hof in het nadeel van de verdachte in aanmerking heeft genomen “dat verdachte – op zitting daarnaar gevraagd – heeft erkend dat hij nog steeds geen aanvang heeft genomen met het betalen van de schadevergoeding aan het slachtoffer” en dat het hof mede op grond van “de omstandigheid dat verdachte nog niets heeft ondernomen om de schadevergoeding te betalen” een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de advocaat-generaal was gevorderd, terwijl het vermogen van de verdachte - zoals hij ook ter zitting heeft verklaard - onder bewind is gesteld en hij ten aanzien van dat vermogen aldus geen zelfstandige beheers- en beschikkingsbevoegdheid heeft.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering, nu het vermogen van de verdachte onder bewind is gesteld en hij daarmee procesonbevoegd is en met betrekking tot zijn vermogen niet als verwerende partij in een procedure kan optreden.
Stb. 2010,1).
tegenwoordig benadeelde partij, D.P.] te verdedigen, zoals hij nu eenmaal zich in het strafgeding bevindt, dus onvertegenwoordigd”. Daaraan wordt toegevoegd: “Het tegendeel zou ook, b.v. wanneer de vertegenwoordiger niet, doch de verdachte wel verscheen, tot onoverkomelijke moeilijkheden leiden.” [15] Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg nog ter terechtzitting mag worden ingediend. [16]
derde middelklaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.