Conclusie
[verweerster 1] V.O.F.
[verweerder 2]
[verweerder 3]
[verweerder 4],
[de verhuurder]) heeft de huurovereenkomst opgezegd en tevens een vordering tot ontbinding ingesteld jegens de hurende firma en haar vennoten (hierna:
[verweerders]). Volgens de verhuurder is [verweerders] (onder meer) tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortspruitende verplichtingen door in strijd met de contractuele bestemming – te weten: verkoopruimte voor tabak- en rokersbenodigdheden – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming (in overwegende mate) souvenirs te verkopen, en – tevens in strijd met het onderhuurverbod – de bovenverdieping als woonruimte te (laten) gebruiken. De vordering tot ontbinding is door de kantonrechter toegewezen, waarna het pand is ontruimd.
1.Feiten en procesverloop
het gehuurde) heeft verhuurd aan de rechtsvoorganger van [verweerders]
detailhandelsverkoopruimte van tabak- en rokersbenodigdheden” (art. 1.2) en dat het huurder niet is toegestaan zonder voorafgaande toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven (art. 1.3). Op de huurovereenkomst zijn de door [de verhuurder] gehanteerde algemene bepalingen van toepassing, waarin onder meer een onderhuurverbod is opgenomen.
Het huidige gebruik is volgens waarneming nu ca. 15% volgens omschrijving ‘verkoop van tabak en rokersbenodigdheden’ en ca. 85% gebruik als souvenirs winkel”.
in conventie), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:
primairevorderingen ten grondslag gelegd dat [verweerders] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen door in strijd met de contractuele bestemming en zonder toestemming (i) in de winkel hoofdzakelijk souvenirs te verkopen in plaats van tabak en (ii) de eerste verdieping van het gehuurde te gebruiken als woonruimte. Daarnaast heeft zij de huur structureel te laat betaald en bij herhaling huurachterstanden laten ontstaan. Zij is met betrekking tot beide verplichtingen in verzuim komen te verkeren.
in conventie.
in reconventieingesteld (tot onder meer het verhelpen van gebreken in het gehuurde en vermindering van de huurprijs). Deze vorderingen spelen in cassatie geen rol en blijven verder onbesproken.
in conventie) de
primairevordering van [de verhuurder] toegewezen door de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot [het gehuurde] te ontbinden en [verweerders] hoofdelijk te veroordelen om de onroerende zaak binnen drie maanden na betekening van het vonnis te ontruimen. De gevorderde machtiging om zelf de ontruiming te bewerkstelligen en de gevorderde dwangsom op de ontruiming zijn echter afgewezen (rov. 16). De kantonrechter heeft [verweerders] tevens veroordeeld om een gebruikersvergoeding te betalen ter hoogte van de laatstelijk geldende huurprijs vanaf de datum van ontbinding tot aan de daadwerkelijke ontruiming, en veroordeeld in de proces- en nakosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders (
subsidiair en meer subsidiair) gevorderde is afgewezen.
in conventie, met veroordeling van [de verhuurder] in de proces- en nakosten.
grieven I en II– aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij tekort is geschoten in haar verplichtingen om de contractuele bestemming van de winkel niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder eenzijdig te wijzigen en nadien te stoppen met de verkoop van souvenirs (rov. 10) en om de bovengelegen verdieping(en) volgens de contractuele bestemming te gebruiken en niet zonder voorafgaande toestemming onder te verhuren (rov. 11). Ook is zij – met
grief III– opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat [de verhuurder] op die grond bevoegd was om ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen (rov. 13), tegen de verwerping van het betoog dat de tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst met al haar gevolgen niet kunnen rechtvaardigen (rov. 14) en tegen het oordeel van de kantonrechter dat de eisen van redelijkheid en billijkheid zich niet tegen de gevraagde ontbinding en ontruiming verzetten (rov. 15). Daarbij heeft zij onder meer aangevoerd dat een eventuele tekortkoming niet ernstig genoeg is om ontbinding te rechtvaardigen en dat sprake is van misbruik van recht, althans dat de uitoefening door [de verhuurder] van zijn rechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook heeft zij een beroep gedaan op verjaring van de rechtsvordering tot ontbinding.
in conventiegewezen, vernietigd en de vorderingen van [de verhuurder] alsnog afgewezen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het gehuurde, bestemming, gebruik
[a-straat 1] te [plaats],(…)
detailhandelsverkoopruimte van tabak- en rokersbenodigdheden.
subonderdeel 1.1wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.7.1 t/m 3.7.4 de
aard en/of strekkingvan de contractuele bestemmingsregeling heeft miskend, althans die overwegingen tegen de achtergrond van deze aard en/of strekking onbegrijpelijk zijn.
specifiekeomschrijving daarvan in de artikelen 1.1 en 1.2, in 2001 de overeengekomen bestemming
uitdrukkelijkonder ogen gezien en aanvaard. Anderzijds hebben partijen
nietbeoogd dat deze (specifiek omschreven en overeengekomen) bestemming (door huurder [18] )
stilzwijgendkan worden gewijzigd, dat wil zeggen: zónder dat verhuurder voor die wijziging
expliciettoestemming heeft gegeven. Het vereiste van een
voorafgaande schriftelijketoestemming (art. 1.3) staat aan de mogelijkheid van een zodanig stilzwijgende bestemmingswijziging in de weg.
de verhuurder er (stilzwijgend) mee instemde dat zij net als hun voorgangers naast tabak en rokersbenodigdheden ook souvenirs konden (blijven) verkopen”. Een en ander klemt temeer nu uit de gedragingen van zowel (de rechtsvoorgangster van) [de verhuurder] als [verweerders] kan worden afgeleid dat
beidepartijen de aard en/of strekking van de contractuele bestemmingsregeling ook daadwerkelijk in de hiervoor bedoelde zin hebben opgevat, blijkens enerzijds de sommatie tot nakoming daarvan namens [betrokkene 1] en anderzijds het schriftelijke verzoek om toestemming voor bestemmingswijziging van [verweerders]
uitblijvenvan aanmerkingen van [betrokkene 3] op de (presentatie van) het assortiment in de winkel;
niet op is gewezendat het in de winkel gevoerde assortiment niet (meer) in overeenstemming was met de bestemming, (ii) het
niet reagerenvan [betrokkene 1] op het verzoek van [verweerders] d.d. 31 juli 2012, en (iii) het
gesteld noch gebleken zijn van het geven van enig gevolgaan de sommatie van 27 februari 2012;
overleg hadden moeten tredenmet [verweerders]; en
explicietetoestemming (voorafgaand en schriftelijk) kunnen worden aangemerkt, zoals vereist op grond van de bestemmingsregeling die door partijen is overeengekomen.
huurderligt – niet valt te rijmen met de door het hof ten laste van de
verhuurderterzake van de contractuele bestemming (impliciet [20] ) aangenomen informatie- en/of mededelingsplichten (rov. 3.7.1-3.7.3) respectievelijk overlegverplichtingen (rov. 3.7.4). Ook vanuit dit perspectief zou het hof de aard en/of strekking van die regeling hebben miskend.
subonderdeel 1.4heeft [de verhuurder] in feitelijke instanties ook de stelling is ingenomen, althans had diens stellingname de (onmiskenbare) strekking, dat de door partijen overeengekomen bestemmingsregeling de hiervoor uiteengezette aard en/of strekking heeft. Geklaagd wordt dat het hof deze essentiële stellingname ten onrechte niet, althans niet op voldoende kenbare en/of begrijpelijke wijze in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Het oordeel van het hof in rov. 3.7.1 (slot) en rov. 3.7.5 (slot), dat [de verhuurder] niets heeft gesteld dat tot een ander oordeel leidt of kan leiden, is in het licht van deze stellingname onbegrijpelijk. Het hof heeft bovendien, gelet op de hiervoor uiteengezette aard en/of strekking van de contractuele bestemmingsregeling, te zware eisen gesteld aan de op [de verhuurder] in het kader van de door hem verdedigde uitleg van de huurovereenkomst rustende stelplicht en/of betwistingslast, aldus subonderdeel 1.4.
toestemmingvoor een andere dan de overeengekomen bestemming
stilzwijgendheeft gegeven.
stilzwijgend”, “dat wil zeggen: zonder
explicietetoestemming van de verhuurder” kan worden gewijzigd, (ii) dat het hof deze aard en strekking heeft miskend waar het overweegt dat [verweerders] de contractuele bestemming gerechtvaardigd aldus hebben mogen opvatten dat “de verhuurder er (stilzwijgend) mee instemde” dat zij ook souvenirs konden (blijven) verkopen (subonderdeel 1.1), en (iii) dat het hof deze aard en strekking ook heeft miskend waar het betekenis hecht aan gedragingen van de verhuurder (kortweg: stilzitten) die “niet als
explicietetoestemming (voorafgaand en schriftelijk) kunnen worden aangemerkt, zoals vereist” (subonderdeel 1.2).
uitlegheeft gegeven aan de bestemmingsbepaling, en wel in die zin dat [verweerders] er in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de verkoop van souvenirs onder de overeengekomen bestemming viel.
feitelijkgebruik van het gehuurde en het (volgens het hof)
stilzwijgend toestaandaarvan (in doorslaggevende mate) van belang is voor de vraag “hoe de bestemmingsbepaling (…) moet worden uitgelegd”. Kern van het betoog van onderdeel 1 is dat het hof met dit (uitleg)oordeel ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze heeft geabstraheerd van de aard en strekking van de beschermingsbepaling, aldus de toelichting (s.t. nr. 2.3).
uitleggegeven aan de contractuele bestemmingsbepaling als vervat in art. 1.1-1.3 van de huurovereenkomst. Ik verwijs naar de volgende overwegingen en de daarin door het hof zelf gegeven parafrase:
wijzigen– niet miskend. Het hof heeft de bestemmingsbepaling uitgelegd, welke uitleg inhoudt dat de tussen partijen
overeengekomenbestemming van het gehuurde – in weerwil van de bewoordingen van de bepaling – de verkoop van souvenirs (reeds)
mede omvat.
subonderdelen 1.1 tot en met 1.4alle falen.
ooksouvenirs kon (blijven) verkopen (rov. 3.7.1 en 3.7.4),
uitbreidenmet (al dan niet aan tabak en rokersbenodigdheden gerelateerde) souvenirs (rov. 3.7.2), en
ooksouvenirs, textiel en lederwaren te mogen verkopen door [betrokkene 1] niet is gereageerd (rov. 3.7.3).
ooksouvenirs is gaan (blijven) verkopen en/of dat [verweerders] haar assortiment is gaan
uitbreidenmet souvenirs, maar veeleer op het feit dat [verweerders]
in overwegende mate (hoofdzakelijk)souvenirs is gaan verkopen. Zelfs indien zou kunnen worden aangenomen dat (de rechtsvoorgangster van) [de verhuurder] er stilzwijgend mee instemde dat [verweerders] net als haar voorgangers naast tabak en rokersbenodigdheden
ooksouvenirs kon (blijven) verkopen, dan betekent dat nog niet dat (de rechtsvoorgangster van) [de verhuurder] kan worden geacht te hebben ingestemd met een gebruik dat neerkomt op het
in overwegende mate (hoofdzakelijk)verkopen van souvenirs, en – in het verlengde hiervan – evenmin dat [verweerders] gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben ten aanzien van een zodanige instemming. In elk geval kan (de rechtsvoorgangster van) [de verhuurder], gelet op de in subonderdeel 1.1 beschreven aard en/of strekking van de bestemmingsregeling, niet worden geacht dat
stilzwijgendte hebben gedaan.
in overwegende mate (hoofdzakelijk)verkopen van souvenirs door [verweerders] is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel getreden en is dat in het licht van het partijdebat bovendien onbegrijpelijk.
hoofdzakelijk souvenirsverkocht in plaats van tabak (rov. 3.1), waarbij het tevens heeft vastgesteld dat het volgens [betrokkene 3] in 2012 ging om 85% van het gevoerde assortiment (rov. 2.7).
hoofdzakelijksouvenirs werden verkocht. Het hof heeft op (dat onderdeel van) de stellingname van [de verhuurder] afdoende gereageerd in rov. 3.7.2 t/m 3.7.4, uitmondend in het oordeel dat de verschuiving in de onderlinge verhouding tussen de – qua soort bij aanvang van de huurovereenkomst in 2001 reeds toegelaten (rov. 3.7.1) – producten in het assortiment niet zonder meer tot een tekortkoming in de nakoming leidt, maar dat indien [betrokkene 3] en [betrokkene 1], en later [de verhuurder] vonden dat de verhouding tussen de in de winkel verkochte tabak en rokersbenodigdheden enerzijds en souvenirs anderzijds “de grens van het aanvaardbare had overschreden”, zij in overleg hadden moeten treden met [verweerders] over de samenstelling van het in de winkel te voeren assortiment en [verweerders] duidelijk hadden moeten maken welke (redelijke) invulling van de bestemmingsbepaling hun voor ogen stond en voorts [verweerders] een redelijke termijn hadden moeten gunnen om haar assortiment daaraan aan te passen (rov. 3.7.4). Nu dit, hoewel de verhuurder daarvoor alle gelegenheid had, is nagelaten, mocht [verweerster 1] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verkoop van
hoofdzakelijksouvenirs nog steeds binnen de overeengekomen bestemming viel, zo ligt in het oordeel van het hof besloten (rov. 3.7.4 (slot) en rov. 3.7.5).
[de verhuurder]dat – vrijwel onmiddellijk ná de overdracht van het pand waarop de huurovereenkomst betrekking heeft – wél heeft gedaan. Het subonderdeel verwijst hierbij naar de in rov. 2.10 genoemde brief van 8 januari 2015 van [de verhuurder], waarin deze de huurovereenkomst tegen 31 maart 2016 heeft opgezegd.
subonderdeel 2.1dat het hof ook hier is voorbijgegaan aan de hiervoor in subonderdeel 1.1 beschreven
aard en/of strekkingvan de door partijen overeengekomen bestemmingsregeling, dat wil zeggen dat partijen in art. 1.1 en 1.2 uitdrukkelijk zijn overgekomen een specifiek omschreven vorm van
bedrijfsruimte – dus niet: woonruimte of combinatie van bedrijfsruimte en woonruimte – te (ver)huren, terwijl die bestemming gelet op het bepaalde in art. 1.3 niet stilzwijgend kan worden gewijzigd. Het subonderdeel verwijst hiervoor ook naar de
subonderdelen 1.1 en 1.4.
woonruimte niet wenste en/of [verweerders] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bestemmingsbepaling zich niet uitstrekte tot de woning op de eerste verdieping en de verhuurder instemde met het gebruik van die verdieping als (bedrijfs-)woning, valt gelet op deze aard en/of strekking evenmin in te zien, althans niet zonder nadere motivering. Gelet op art. 1.1 en 1.2 van de huurovereenkomst hebben partijen de overeengekomen bestemming uitdrukkelijk onder ogen gezien en (mede gelet op hun professionele hoedanigheid) aanvaard.
uitgelegden in dat kader onderzocht of [verweerders] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat deze bepaling zich – lees: in weerwil van haar bewoordingen –
nietuitstrekte tot de eerste verdieping van het gehuurde en dat [betrokkene 1] instemde met het gebruik van die verdieping als (bedrijfs)woning. Het positieve antwoord op deze vraag heeft het hof, rechtens juist, begrijpelijk en toereikend gemotiveerd, gebaseerd op zowel (i) de reeds bestaande feitelijke situatie ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst in 2001 en (ii) gedragingen van de verhuurder bij gelegenheid van het sluiten van de overeenkomst, als (iii) feiten en omstandigheden, gedragingen daaronder begrepen, van na 2001 (rov. 3.8.1).
De stelling van [de verhuurder] dat de woonruimte niet was ingericht op bewoning, zodat hij niet kon instaan voor eventueel brandgevaar en overige vereisten/aspecten die bij verhuur van woonruimte komen kijken, kan hoe dan ook niet tot de conclusie leiden dat gebruik van de eerste verdieping als woning in strijd is met de gestelde contractuele bestemming”. Over deze overweging bevat het (sub)onderdeel geen klachten. Deze stelling over de
geschiktheidvan (de inrichting van) het pand voor bewoning is overigens een andere dan de stelling dat het pand – naar zijn indeling – wel of niet is
bedoeldvoor bewoning (vgl. het hof in rov. 3.8.1, derde volzin). [24] De bedoeling van partijen met een pand kan immers in strijd zijn met de geschiktheid van het pand daarvoor.
verhuurderheeft aangenomen, heeft miskend dat in de door partijen getroffen regeling het initiatief tot het verkrijgen van (voorafgaande, schriftelijke) toestemming voor wijziging van de contractuele bestemming uitdrukkelijk bij de
huurderligt. Het verwijst voor deze klacht naar de
subonderdelen 1.3 en 1.4.
subonderdeel 2.3wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.8.1 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 149 en Pro/of 150 en/of 151 Rv. Waar de schriftelijke huurovereenkomst een bestemmingsbeding bevat – een specifiek omschreven vorm van
bedrijfsruimte – en tevens een
onderhuurverbod– levert dat tussen partijen dwingend bewijs op van de inhoud van deze afspraken tussen partijen, althans kan uit de tekst van dit beding en/of verbod een voorshands vermoeden worden gedestilleerd dat partijen het gehuurde (uitsluitend) als
bedrijfsruimte hebben bestemd respectievelijk dat onderhuur en/of ingebruikgeving aan derden anderszins niet is toegestaan.
watpartijen onderling zijn overeengekomen (en de schriftelijke huurovereenkomst daarvan tussen partijen dwingend bewijs oplevert), houdt op zichzelf nog niet in hoe die in de huurovereenkomst vastgelegde afspraken (in de gegeven omstandigheden) moeten worden uitgelegd. Dat vaststaat wat is overeengekomen wil immers nog niet zeggen dat de betekenis daarvan ook direct duidelijk is. De uitleg van de afspraken kan niet worden bepaald aan de hand van een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen. [25] Tussen partijen bestond bovendien géén geschil over wat partijen in de huurovereenkomst waren overeengekomen. Dat geschil had alleen betrekking op de vraag welke betekenis daaraan in het concrete geval moet worden gehecht.
ingestemdis niet relevant, omdat het hof zich niet op een dergelijke instemming (in de zin van art. 1.3 van de huurovereenkomst) heeft gebaseerd. Het hof heeft slechts uitleg gegeven aan de bestemmingsregeling op het punt van het reeds bestaande feitelijk gebruik van de eerste verdieping. Het hof overweegt ook niet dat [de verhuurder] niet heeft gesteld dat de verhuurder niet had ingestemd met het gebruik van de eerste verdieping als woonruimte.
niet op de hoogtezou zijn van het gebruik door [verweerders] van de eerste verdieping als woonruimte, verwijst het subonderdeel (onder meer) naar de volgende passage:
op de hoogtewas dat de etage(s) op die manier werden gebruikt. Als de passage echter toch zo gelezen zou (dienen te) worden, dan wordt een dergelijke stelling in ieder geval zonder enige vorm van onderbouwing ingenomen. Dit moet worden afgezet tegen het feit dat het hof in rov. 3.6.1 de schriftelijke verklaringen van [betrokkene 4] en van [betrokkene 5], beide van 24 april 2017, in aanmerking heeft genomen. In die laatste verklaring is opgenomen:
geen feiten of omstandigheden [heeft] gesteld waaruit zou kunnen blijkendat zijn rechtsvoorgangster na 2001 niet bekend was met het gebruik van de eerste verdieping als woonruimte door familieleden van [verweerder 2], [verweerder 3] of [verweerder 4]” eveneens. De overige passages waarnaar het subonderdeel hier verwijst [27] bevatten nagenoeg dezelfde stellingen. Ook wordt er hier van uitgegaan dat expliciete toestemming was vereist en dat, ook indien zou komen vast te staan dat [de verhuurder] of diens rechtsvoorganger wél bekend was met het gebruik van een deel van het gehuurde als woonruimte, daaruit nog niet volgt dat deze expliciete toestemming zou zijn gegeven. [28] Weliswaar bevat de passage op één punt [29] nog wel de ontkenning dat de rechtsvoorganger van [de verhuurder] de huurovereenkomst aan de keukentafel van het gehuurde zou hebben ondertekend, hetgeen de hierboven genoemde vaststelling van het hof in rov. 3.7 dat de inhoud van de schriftelijke verklaringen niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd is betwist door [de verhuurder], op dit punt onbegrijpelijk zou kunnen maken. Maar daarover wordt, als gezegd, in cassatie niet geklaagd. Bovendien is ook met deze ontkenning – zeker in het licht van het voorgaande – nog niet gesteld dat de verhuurder ook niet bekend was met het gebruik van de eerste verdieping als woonruimte door familieleden van [verweerder 2], [verweerder 3] of [verweerder 4] – laat staan dat feiten of omstandigheden worden aangevoerd waaruit dit zou blijken – en blijft dus de overweging van het hof staan dat [de verhuurder] zelf onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van zijn (primaire) vordering tot ontbinding op grond van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst.
onderhuurverbod, in ieder geval niet (voldoende kenbaar) door het hof in zijn oordeel is betrokken, althans het hof daarop niet (voldoende begrijpelijk) heeft gerespondeerd.
familieledenvan de huurders en soms
anderendan familieleden, en dat [de verhuurder] geen feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat [betrokkene 1] na 2001 niet bekend was met het gebruik van de eerste verdieping als woonruimte door
familieledenvan de huurders. Mede op basis daarvan is het hof tot de algemene en niet onbegrijpelijke conclusie gekomen dat “
het gebruik door [verweerders] van de eerste verdieping als woonruimtegeen tekortkoming is in de nakoming van de huurovereenkomst” (rov. 3.8) en dat “
geenfeiten of omstandigheden [zijn] gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat het gebruik dat [verweerders] van de eerste verdieping maakten instrijdwasmet de huurovereenkomst” (rov. 3.8.1) (onderstrepingen toegevoegd, A-G). Het subonderdeel faalt.
bedrijfswoning, dit oordeel ook overigens rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is. Kennelijk heeft het hof gemeend dat hier sprake is van een afhankelijke woning in de zin van artikel 7:290 lid 3 BW Pro, aldus het subonderdeel, maar uit zijn oordeel kan niet worden afgeleid dat aan de daarvoor geldende eisen is voldaan, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt. Het enkele feit dat de eerste verdieping alleen via de winkel kon worden bereikt is voor een zodanige kwalificatie in elk geval niet voldoende. Bovendien had het hof bij een zodanige kwalificatie tevens moeten betrekken de stellingname van [de verhuurder] terzake de ongeschiktheid van de eerste verdieping van het gehuurde voor gebruik als woonruimte, hetgeen het hof blijkens rov. 3.8.1 (p. 9 onderaan, vanaf “
De stelling..”) (uitdrukkelijk) niet heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de stelling van [de verhuurder] dat het volstrekt ongebruikelijk is dat boven de winkels gelegen verdiepingen in de [a-straat] worden gebruikt als woonruimte.
(bedrijfs)woning”. Daarmee faalt het subonderdeel in zijn geheel.
subonderdeel 1.7– waarnaar het subonderdeel verwijst – bevat met betrekking tot het gebruik van het winkelgedeelte. De klacht berust ook hier op de lezing dat het hof – ten aanzien van de bestemmingsregeling, dan wel het onderhuurverbod – toepassing heeft gegeven aan de het bepaalde in het slot van lid 1 van art. 6:265 BW Pro (“tenzij”) dan wel aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 en Pro 6:248 lid 2 BW. Het faalt om dezelfde reden, namelijk dat dit geval zich niet voordoet.
onderdeel 4wordt geklaagd over rov. 3.11.3. Deze rechtsoverweging en de daaraan voorafgaande rov. 3.11.2 luiden als volgt:
gerenoveerden (ii) dat die renovatie
zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is,en wel (iii)
omdat(a) daarmee het pand geschikt wordt gemaakt voor een andere bestemming en (b) de bovenetages bij de bedrijfsruimte worden betrokken.
daadwerkelijk noodzakelijkerenovatiewerkzaamheden (rov. 3.11.3, eerste volzin).
niet mogelijk was zonder beëindiging van de huur. Tegen de achtergrond van de daarvoor door [de verhuurder] aangevoerde gronden – (a) dat daarmee het pand geschikt wordt gemaakt voor een andere bestemming en (b) dat de bovenetages bij de bedrijfsruimte worden betrokken – neemt het hof in overweging het verweer van [verweerders] dat ook na de uitgevoerde renovatie (a) in de winkel nog hoofdzakelijk souvenirs, tabak en snoep worden verkocht en (b) de etages boven de begane grond niet bij de bedrijfsruimte zijn getrokken. Het oordeel van het hof dat het in het licht van dit verweer op de weg van [de verhuurder] had gelegen om zijn stelling dat renovatie niet mogelijk was zonder beëindiging van de huur nader toe te lichten (rov. 3.11.3, midden), is niet onbegrijpelijk, evenmin als zijn oordeel dat die toelichting niet wordt aangetroffen in de omstandigheid dat in de omstreeks september 2017 gesloten huurovereenkomst met de nieuwe huurder een bestemmingsbepaling is opgenomen. Op de in het middel aangegeven vindplaatsen in de gedingstukken wordt evenmin nader onderbouwd waarom de noodzakelijke renovatie niet mogelijk is zonder (juridische) beëindiging van de huurovereenkomst. De enkele verwijzing naar de brief van Stadt Bouwadviezen waarin staat dat het noodzakelijke herstel van bepaalde bouwdelen tijdens verhuur/bewoning grotendeel niet mogelijk is [33] , heef het hof begrijpelijkerwijs niet voldoende geacht. Daarmee is evenmin onbegrijpelijk het oordeel dat [de verhuurder] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de renovatie zonder beëindiging van de huur niet mogelijk was (rov. 3.11.3, slot). Het onderdeel faalt dan ook.
ten eersteeen op onderdeel 4 voortbouwende klacht gericht tegen rov. 3.11.4, waarin het hof oordeelt dat ook opzegging op de voet van de belangenafweging als bedoeld in art. 7:296 lid 3 BW Pro – die mede gegrond was op de dringende noodzaak tot onderhoud in de door onderdeel 4 bedoelde zin – niet mogelijk was.
ten tweededat het hof in rov. 3.11.4 evenmin (voldoende begrijpelijk) heeft gerespondeerd op het beroep van [de verhuurder] op:
subsidiairevordering; die vindplaatsen hebben betrekking op de
primairevordering tot ontbinding respectievelijk de
meer subsidiairevordering tot gebruik conform de contractuele bestemming als verkoopruimte van tabaks- en rokersbenodigdheden. In de inleidende dagvaarding nr. 36 wordt stelling (i) bovendien niet aangetroffen.