Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbevatte aanvankelijk de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 maart 2018 zich niet bij de stukken van het geding bevindt. Na wijziging van het eerste middel bij aanvullende schriftuur luidt de klacht (thans) dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 maart 2018 niet op de voorgeschreven wijze is vastgesteld en/of is ondertekend.
Na een uitgebreid onderzoek, zowel binnen de administratie te Curaçao als te Bonaire, en na raadpleging van zowel het openbaar ministerie als enkele advocaten, kom ik tot de vaststelling dat onbekend is of het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 maart 2018 in bovenvermelde zaken door de griffier en voorzitter is vastgesteld en ondertekend, aan de betrokken partijen is verzonden en in het dossier is gevoegd. De zittingsgriffier werkt al geruime tijd niet meer bij het Hof. Hij is benaderd maar heeft geen verhelderende informatie kunnen verschaffen.
[…]”
tweedeen het
derde middelwordt opgekomen tegen de bewezenverklaring ter zake van feit 1. Voordat ik die middelen bespreek, geef ik daarom eerst de bewezenverklaring van feit 1 weer, alsook, voor zover hier relevant, het in hoger beroep gevoerde verweer en de bewijsoverwegingen van het Gemeenschappelijk Hof. Ook zal ik het een en ander vooropstellen over het bestreden vonnis en over het delict waarop de bewezenverklaring van feit 1 betrekking heeft.
- voornoemde [slachtoffer 3] tegen de grond heeft gewerkt en vervolgens op [slachtoffer 3] is gaan zitten en/of zijn hand tegen de mond van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gelegd en op dreigende toon tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd: “Dinero, dinero” (vertaling uit het Spaans: “Geld, geld”), en zich heeft voorzien van een keukenmes;
23. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is geweest van opzet van cliënt op de dood van agent [slachtoffer 7] . Het was nooit de bedoeling om de vuurwapens te gebruiken om te schieten en op het moment van het schietincident waren cliënten niet eens in de buurt. De rechter in eerste aanleg heeft terecht geconcludeerd dat er in casu wel voorwaardelijk opzet bewezen dient te worden, maar heeft dit onterecht bewezen verklaard. Hier kom ik later uitgebreid op terug.
Vonnis waarvan beroep
2. Levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren wordt opgelegd:
1°. indien het feit den dood ten gevolge heeft;
[…]”
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 1, voor zover inhoudende dat het tegen [slachtoffer 7] gepleegde geweld dat de dood ten gevolge heeft gehad, is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken dan wel het bezit van het gestolene te verzekeren, onvoldoende met redenen is omkleed.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 ten aanzien van het opzet van de verdachte op het door een mededader tegen [slachtoffer 7] gepleegde geweld niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zou worden geschoten bewust heeft aanvaard niet toereikend gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk, is.
verbeterddat het de eigen overwegingen in de plaats heeft gesteld van die van het Gerecht in eerste aanleg.
NJ2014/502. Ook toen was de verdachte veroordeeld wegens (kort gezegd) een poging tot diefstal met geweld in vereniging, waarbij het geweld bestond uit het gebruik van een vuurwapen door een medeverdachte waardoor het slachtoffer werd geraakt. De verdachte ging met zijn mededaders op pad om een hennepkwekerij leeg te roven. Vooraf was afgesproken dat als er iemand zou worden aangetroffen deze persoon zou worden vastgebonden. De Hoge Raad achtte (in rov. 2,3) de bewezenverklaring ook wat het opzet op het gebruikte vuurwapengeweld betreft toereikend gemotiveerd in het licht van de vaststellingen van het hof “dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot diefstal van de hennep wist van het mogelijk gebruik van geweld, onder meer doordat hij wist dat personen die werden aangetroffen, zouden worden vastgebonden en doordat de verdachte had gezien dat één van zijn mededaders een vuurwapen bij zich had waarvan hij dacht dat dit ter afschrikking zou worden gebruikt.”
NJ2020/174, m.nt. Vellinga. In die zaak had de verdachte van poging tot doodslag met zijn mededader X het plan opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen. Dat wilden zij echter doen door voor die hennep te betalen met geprepareerd nep-geld. Uit de bewijsvoering bleek dat zij zich verder “helemaal niet” hadden voorbereid op de afspraak. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak: niet blijkt uit de vaststellingen van het hof dat “in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat [X] voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door [X] bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat [X] begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag.”
doelwaarmee de verdachte en de medeverdachten naar de woning zijn gegaan. Dat neemt evenwel niet weg dat het Gemeenschappelijk Hof ook uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat niet aannemelijk is dat een afspraak is gemaakt dat
nietzou worden geschoten. Aldus ligt in de vaststellingen van het Gemeenschappelijk Hof besloten dat het gebruik van een vuurwapengeweld als reële mogelijkheid onderdeel van het gemeenschappelijk plan uitmaakte. Dit laatste oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik wijs er in dat verband ook nog op dat in de aanloop naar de overval tussen de medeverdachten is gesproken over het eventueel gebruik van geluidsdempers en het meebrengen van veel munitie (zie de bewijsmiddelen 4 tot en met 9).
NJ2014/502. In beide zaken is sprake van een gezamenlijk plan om mensen te beroven en tegen hen geweld te gebruiken, bestaande uit onder meer het vastbinden van hen. Gemeenschappelijk is ook dat de verdachte er weet van had dat de schietende medeverdachte een vuurwapen bij zich had en, naar eigen zeggen, dacht dat het vuurwapen ter afschrikking zou worden gebruikt. Tussen beide zaken bestaan ook enkele verschillen. Dat zijn dan wel verschillen die in het nadeel van de verdachte in de onderhavige zaak uitvallen. Hij wist namelijk dat ter plaatse personen zouden worden aangetroffen waartegen geweld zou moeten worden gebruikt en hij wist van de aanwezigheid van vijf geladen vuurwapens en dus niet (slechts) van de aanwezigheid van één geladen vuurwapen bij één medeverdachte.
vierde middelbevat drie klachten die betrekking hebben op (de verwerping van) het gevoerde verweer dat de verdachte van het onder 2 bewezenverklaarde feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake zou zijn van vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 48b Sr BES.
ter voorbereiding van (een) met/door anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing in vereniging te plegen tegen een of meer leden van de [familie 2] , bewoners van [b-straat 1] te Bonaire,
opzettelijk voorwerpen, een ruime en een vervoermiddel bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of ingevoerd en/of voorhanden heeft gehad, te weten;
Ten aanzien van feit 2:
uitsluitendonder invloed van externe prikkels” is het andere uiterste en lijkt mij niet juist, zodat de klacht faalt. [16]
vijfde middelbehelst de klacht dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het Gemeenschappelijk Hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.