ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellante werd door het UWV een loonsanctie opgelegd wegens vermeend onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een arbeidsongeschikte werkneemster, specifiek gericht op het tweede spoor (re-integratie bij een andere werkgever). De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders.
De Raad stelt vast dat appellante vanaf juni 2005, nadat re-integratie binnen het eigen bedrijf niet mogelijk bleek, wel degelijk inspanningen heeft verricht gericht op het tweede spoor, waaronder het inschakelen van een re-integratiebureau en het begeleiden van de werkneemster bij het zoeken naar passend werk. De medische beperkingen van de werkneemster beperkten de mogelijkheden, wat ook door het UWV niet werd betwist.
De Raad overweegt dat het UWV onvoldoende heeft aangetoond dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd en dat de loonsanctie daarom onterecht is opgelegd. Tevens oordeelt de Raad dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden door het ontbreken van een nadere definitie van "onvoldoende re-integratie-inspanningen" in de Wet WIA, mede omdat de verplichtingen elders in het BW zijn neergelegd.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 28 juli 2006, herroept de loonsanctie en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt vernietigd en het besluit herroepen.