ECLI:NL:CRVB:2014:221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van een werknemer die ziek was. Het UWV had de loonsanctie opgelegd omdat de werkgever na januari 2011 geen adequate stappen had ondernomen om de werknemer te laten re-integreren, terwijl er nog arbeidsmogelijkheden waren.
De rechtbank had het bezwaar van de werkgever tegen deze loonsanctie ongegrond verklaard. De werkgever stelde in hoger beroep dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was volgens een deskundigenoordeel van maart 2011, en dat het opleggen van een loonsanctie dan niet terecht was. De Centrale Raad van Beroep heeft dit betoog onderzocht aan de hand van medische en arbeidsdeskundige rapporten.
Uit de rapporten bleek dat de werknemer niet volledig arbeidsongeschikt was in de betwiste periode, maar belastbaar was voor arbeid met beperkingen. De werkgever had nagelaten om de werknemer te stimuleren tot re-integratie en had ook geen maatregelen genomen om de werknemer te dwingen mee te werken. De Raad oordeelde dat de loonsanctie terecht was opgelegd en bevestigde de eerdere uitspraak.
De Raad benadrukte dat werkgever en werknemer samen voldoende inspanningen moeten verrichten om de arbeidsmogelijkheden te benutten en dat het volgen van adviezen van de arbodienst geen vrijwaring biedt als de werkgever zelf geen actieve re-integratie-inspanningen verricht. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.