Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
International
Transparence Fiscale(8.1-8.11)
1.Overzicht
Eigennützige Privatstiftungaanspraak heeft op teruggaaf van de Nederlandse dividendbelasting ex art. 10(1)
juncto(2) Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DivB). Daarvoor is bepalend (i) of zij opbrengstgerechtigde is in de zin van art. 1(1) Wet DivB en zo ja, (ii) of zij ook ‘uiteindelijk gerechtigde’ is in de zin van art. 10 Wet Pro DivB, en zo ja, (iii) of zij al dan niet aan de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen als zij in Nederland was gevestigd.
Z Denmark ApS e.a.)en C-116/16 en C-117/16 (
T Danmark e.a.), nu de belanghebbende stellig geen doorstroomvennootschap is, en (v) heeft aangenomen dat de transparantierechtspraak ook geldt voor de vennootschapsbelasting.
uiteindelijkgerechtigd. De belanghebbende daarentegen is niet eens opbrengstgerechtigd in de zin van art. 1 Wet Pro DivB omdat het dividend fiscaalrechtelijk niet aan haar, maar aan haar civielrechtelijke alleenheerser wordt toegerekend. Zij heeft fiscaalrechtelijk het dividend niet genoten, hoezeer zij het civielrechtelijk ook genoten moge hebben. Aan de dogmatiek van de ‘
uiteindelijkgerechtigde’ bestaat dan geen behoefte omdat de belanghebbende al geen
opbrengstgerechtigdeis. Het hof heeft die stap weliswaar overgeslagen en is van de kwalificatie ‘transparant’ meteen naar de kwalificatie niet-uiteindelijk-gerechtigd gesprongen, maar dat doet niet af aan de juistheid van zijn oordeel. Een
Stiftungdie fiscaalrechtelijk
überhauptniet opbrengstgerechtigd is, is uiteraard te minder
uiteindelijkgerechtigd. De toegang tot (teruggaaf ex) art. 10(1) en (2) Wet DivB bestaat alleen voor degene ‘te wiens laste dividendbelasting is ingehouden’, i.e. de belastingplichtige voor de dividendbelasting: de opbrengstgerechtigde. Dat is niet de belanghebbende maar haar oprichter/bestuurder.
nietvoldoende is afgescheiden van het vermogen van haar oprichter om haar fiscaalrechtelijk als genieter van het dividend aan te merken. De transparantie-jurisprudentie staat mijns inziens los van het APV-regime, dat ‘zwevend vermogen’ wil vangen dat
nietaan een persoon toerekenbaar is. De transparantiejurisprudentie daarentegen gaat juist over de keuze tussen twee wél in aanmerking komende personen en ziet daarmee op een terrein (toerekenbaarheid) waar het APV-regime (niet-toerekenbaarheid) juist niet op ziet. Het APV-regime is overigens niet van toepassing voor de dividendbelasting, daargelaten een hier niet relevante uitzondering.
BNB1992/142 volgt overigens dat de transparantierechtspraak ook geldt voor de vennootschapsbelasting.
BNB1994/217
(Market maker) volgt dat de eisen voor ‘uiteindelijk gerechtigde’ in de zin van art. 10 OESO Pro-Model-verdrag zijn dat de betrokkene (i) eigenaar is van de dividendbewijzen, (ii) vrijelijk over de dividendbewijzen en, na inwisseling, over de dividenduitkering kan beschikken, en (iii) bij het inwisselen van de bewijzen niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. U heeft u aldus kennelijk aangesloten bij het officiële commentaar bij het OESO modelbelastingverdrag en ook het HvJ EU heeft zich in de recente zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 en C-116/16 en C-117/16 daarbij expliciet aangesloten en gewezen naar de entiteit die het economische genot van de interest/het dividend heeft en derhalve vrij kan beslissen over het gebruik ervan. Vrije beschikkingsmacht over de dividenden is dus beslissend. De vaststaande feiten impliceren dat belanghebbendes oprichter over de aandelen en de dividenden kon beschikken alsof het zijn eigen aandelen en dividenden waren, zodat de belanghebbende niet vrijelijk over de ontvangen dividenden kon beschikken en niet vrijelijk kon beslissen over het gebruik ervan. Ik meen dat zij daarom geen ‘uiteindelijk gerechtigde’ is in de zin van art. 10(2) juncto (1) Wet DivB.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Eigennützige Privatstiftung, opgericht door [B] , woonachtig in Oostenrijk. Hij heeft € 70.000 ingebracht in de belanghebbende omdat Oostenrijks privaatrecht daartoe verplicht. Naar Oostenrijks privaatrecht heeft de belanghebbende rechtspersoonlijkheid. Zij drijft geen onderneming, maar is wel aan de Oostenrijkse vennootschapsbelasting onderworpen, maar kennelijk niet voor de litigieuze Nederlandse dividenden.
3.Het geding in cassatie
Z Denmark ApS e.a) en C-116/16 en C-117/16 (
T Danmark e.a.), nu de belanghebbende stellig geen doorstroomvennootschap is, en (v) aangenomen dat de transparantierechtspraak ook zou gelden voor de vennootschapsbelasting.
verweerstelt de Staatssecretaris dat, gelet op art. 10 Wet Pro DivB, de belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting als zij niet de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden. Wanneer een derde over haar vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, dan is zij geen uiteindelijk gerechtigde. Volgens de Staatssecretaris geldt de rechtsregel uit HR
BNB1986/16 en HR
BNB1987/247 - de inkomsten en het vermogen van een stichting moeten als inkomen en vermogen van een derde worden beschouwd als die derde als enige, met uitsluiting van anderen, zonder enige beperking over de inkomsten en het vermogen van de stichting kan beschikken - ook voor de dividendbelasting.
repliekstelt de belanghebbende dat de Staatssecretaris voor het eerst in cassatie en daarmee te laat betoogt dat de belanghebbende aan de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen als zij in Nederland was gevestigd en dat die stelling overigens onjuist is, nu zij geen onderneming uitoefent. Zij acht voorts de eis in art. 10(2) Wet DivB dat de belanghebbende in Oostenrijk niet onderworpen is, EU-rechtelijk onverbindend op grond van HR
BNB2014/20.
4.Opbrengstgerechtigde
dividend strippingin de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. De MvT vermeldt daarover: [5]
dividend strippingwerden uitgesteld. [6] De term ‘uiteindelijk (gerechtigde)’ is uiteindelijk niet opgenomen in art. 1 Wet Pro Divb, maar wel, in 2002, in de bepalingen over vrijstelling, teruggaaf en verrekening van dividendbelasting in de wetten op de dividendbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting (zie onderdeel 5 hieronder). De MvT bij art. 4(7) Wet DivB vermeldt over deze aanpak van de bestrijding van
dividend stripping: [7]
open end authorised unit trusts) vermeldt het volgende over de verhouding tussen vennootschapsbelastingplicht, subjectieve belastingplicht voor de dividendbelasting (opbrengstgerechtigdheid ex art. 1(1) Wet DivB) en fiscale transparantie: [19]
Uitsluiting van de niet-‘uiteindelijk gerechtigde’ van vrijstelling, vermindering, verrekening of teruggaaf van dividendbelasting
Wetteksten
dividend strippingtegen te gaan. Art. 4 Wet Pro DivB luidt, voor zover hier relevant:
dividend stripping, met name de voor vrijstelling, vermindering, verrekening en teruggaaf gestelde voorwaarde dat de opbrengstgerechtigde ook de uiteindelijk gerechtigde (
beneficial owner) is, zijn ingevoerd bij de Wet van 13 juli 2002 tot wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers. [20] De MvT bij die wet vermeldt onder meer: [21]
dividend washingmede een reactie waren op uw
Market maker-arrest HR
BNB1994/217 (zie 5.11 hieronder):
dividend strippingen het gebruik van de term ‘uiteindelijk gerechtigde’: [23]
uiteindelijkgerechtigd, maar is niet opbrengstgerechtigd in de zin van art. 1 Wet Pro Divb.
BNB1994/217 (
Market maker) [28] dat de Britse koper van Nederlandse dividendbewijzen uiteindelijk gerechtigd tot dividenden was in de zin van het dividendartikel in het belastingverdrag met het VK omdat zij na inwisseling van die bewijzen over het dividend kon beschikken en zij bij die inwisseling niet als zaakwaarnemer of lasthebber voor iemand anders optrad:
Market maker; zie 5.11 hierboven; PJW], r.o. 3.2, volgt dat als de uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt degene die vrijelijk over de ontvangen uitkeringen kan beschikken, en bij de ontvangst van de uitkeringen niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt, en dat daarbij niet van belang is of diegene eigenaar van de onderliggende aandelen (c.q. winstbewijzen of crediteur van een hybride lening) is, en dat een en ander wordt getoetst op het tijdstip waarop het dividend ter beschikking wordt gesteld, en niet ten tijde van declaratie van het dividend. Wanneer een belastingplichtige aan die omschrijving van uiteindelijke gerechtigde voldoet, en niet wordt uitgezonderd vanwege de genoemde wettelijke bepalingen tegen dividendstripping, kan hij naar mijn mening als uiteindelijke gerechtigde in de zin van de wettelijke bepalingen worden aangemerkt.”
BNB1994/217 (
Market maker) gebruikte begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ is blijven gelden voor de verdragstoepassing, behalve in geval van
dividend stripping: [31]
6.De betekenis van het APV-regime voor de dividendbelasting
Wettekst
dividendstrippingregels te voorkomen. Volgens Knops en Niels [39] daarentegen kan een afgezonderd particulier vermogen ex art. 2.14a en 10.7a Wet IB 2001 niet worden aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde in de zin van art. 4, lid 7 Wet Divb.
7.Beneficial Owner International
Het OESO Modelbelastingverdrag en commentaar
N Luxembourg 1 e.a., [44] heeft de Grote Kamer van het HvJ EU over het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ in art. 1(1) van de EU-Interest en Royaltyrichtlijn als volgt overwogen, zich daarbij uitdrukkelijk en kennelijk in dynamische zin mede baserende op het Commentaar bij het OESO-Modelverdrag:
FED2019/53) is kritisch op ‘s Hofs economische invulling van de term ‘uiteindelijk gerechtigde’. Hij meent dat het HvJ afwijkt van met name het OESO-commentaar 2017:
T Danmarken
Y Danmark, [45] heeft het HvJ EU in vergelijkbare zin geoordeeld voor misbruik van de EU-Moeder-dochterrichtlijn (over dividenden), hoewel in de antimisbruikbepalingen in die Richtlijn de term ‘uiteindelijk gerechtigde’ niet voorkomt. In die zaak is het HvJ EU ingegaan op de vraag wanneer sprake is van – verplicht door de lidstaten te bestrijden - misbruik van concernstructuren. Zulk misbruik kan worden bewezen aan de hand van een reeks van aanwijzingen, waaronder tussenplaatsing van een doorstroom-vennootschap:
8.Transparence fiscale
BNB1958/115 [46] betrof een geval waarin volgens de oprichtingsakte van een stichting de almacht van de oprichter-bestuurder zo ver ging dat hij in de meest vergaande mate over het stichtingsvermogen kon beschikken, het doel van de stichting kon wijzigen, en de stichting kon beëindigen waarbij haar vermogen aan de oprichter-bestuurder of zijn rechtverkrijgende zou toevallen. De volgens stichtingsbrief vereiste beoordeling of voor deze handelingen gegronde redenen bestonden, was geheel aan de oprichter bestuurder overgelaten. De stichtingsakte bood aldus geen waarborg dat het vermogen van de stichting tot de verwezenlijking van het daarin genoemde doel zou worden besteed. U overwoog over de gevolgen daarvan voor de belastingheffing als volgt:
BNB1978/15: [48]
BNB1982/42 [49] achtte u met de feitenrechter een stichting fiscaal transparant omdat de belastingplichtige over het stichtingsvermogen kon beschikken alsof het zijn eigen vermogen was:
BNB1982/42) was kritisch op het onderscheid tussen stichtingen en andere entiteiten:
BNB1986/16 [50] uw opvatting verwoord in HR
BNB1982/42 gehandhaafd. Het cassatiemiddel in HR
BNB1986/16 hield onder meer in dat de werkingssfeer van HR BNB 1982/42 niet uitgebreid moest worden “tot gevallen als het onderhavige, waarin a. een niet-oprichter bestuurder is (…), b. uitdrukkelijk vastgesteld is dat tot nu toe door de stichting nimmer uitkeringen zijn gedaan (…) en c. niet vastgesteld is dat er in feite geen onderscheid bestaat tussen het vermogen van de stichting en dat van de belastingplichtige, noch dat deze zich in feite gedraagt als rechthebbende op het vermogen.” U vernietigde wegens een motiveringsgebrek, maar overwoog ook:
BNB1987/247 [51] oordeelde u dat voor fiscale transparantie van een stichting niet vereist is dat de civielrechtelijke alleenheerser in die stichting ook daadwerkelijk over stichtingsvermogen heeft beschikt:
BNB1989/228 [52] betoogde een stichting die een onderneming dreef (bemiddeling bij verkrijging van bouwterreinen door bouwgegadigden die woningen voor zelfbewoning wilden stichten, waarmee van september 1977 tot eind 1979 ruim f 600.000 winst was behaald) dat zij niet aan vennootschapsbelasting was onderworpen omdat zij fiscaal transparant was en haar oprichters, vier (van vennootschapsbelasting vrijgestelde) woningbouwverenigingen, de inkomensgerechtigden waren. Het hof had overwogen dat (i) de door de stichting ingeroepen arresten over transparantie voor de inkomsten- en vermogensbelasting niet meebrachten dat beschikkingsmacht over het vermogen van de stichting een beletsel zou vormen om haar vennootschapsbelastingplichtig te achten en (ii) de woningbouwverenigingen niet de beschikkingsmacht over de stichting hadden, nu dat zij afzonderlijk onvoldoende zeggenschap hadden en zij gezamenlijk niet de eensgezindheid hadden die vereist is voor vereenzelviging van de stichting met haar oprichters. U zag daarin geen onjuiste rechtsopvatting:
BNB1992/142 betrof de vraag of de belanghebbende stichting, die zeer afhankelijk was van een andere stichting (A), belastingplichtig was voor de vennootschapsbelasting. U oordeelde dat de belanghebbende een afzonderlijke en van stichting A te onderscheiden rechtspersoon was die een bedrijf uitoefende waaraan een zelfstandig karakter niet kon worden ontzegd: [53]
Anstalt, naar Nederlands belastingrecht als transparant moet worden beschouwd. (Ook) zij oordeelde dat de (civielrechtelijke) kenmerken van het lichaam (de vermogensrechtelijke verhoudingen) moeten worden bepaald naar de
lex locien de fiscale duiding daarvan naar Nederlands belastingrecht: [54]
BNB2012/12 [55] betrof de kwalificatie van een Amerikaanse LLC als fiscaal transparant of niet-transparant. U overwoog in het algemeen ‘voor de toepassing van het Nederlandse belastingrecht’, dus kennelijk voor alle belastingen:
BNB2015/11 [56] betrof een iets te creatieve poging tot aftrekpostcreatie, nl. verkoop en levering van een woning door een belastingplichtige en zijn echtgenote aan een door die echtgenote in hetzelfde jaar opgerichte stichting die de koopprijs schuldig bleef, maar op de verkoopdatum een tijdelijk recht van erfpacht en een recht van opstal verleende aan de echtgenote. Alle ‘certificaten’ in de stichting werden gehouden door de vier kinderen en de echtgenote van de belastingplichtige. De door het echtpaar verschuldigde canon werd afgeboekt op hun koopsomvordering op de stichting. U sloot u aan bij het oordeel van het Hof dat de betalingen van het echtpaar aan de stichting niet op hen hadden gedrukt omdat zij over het door hen aan de stichting overgedragen vermogen konden blijven beschikken als ware het hun eigen vermogen:
9.Beoordeling van het middel
(i)haar rechtspersoonlijkheid heeft genegeerd;
(ii)haar oprichter als genieter van het dividend heeft beschouwd enkel omdat hij haar vermogen naar privé kan overhevelen,
(iii)de stelling heeft verworpen dat het APV-regime de transparantierechtspraak van de Hoge Raad heeft achterhaald,
(iv)een uiteindelijk-gerechtigde-begrip heeft gebruikt dat niet strookt met dat van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) in de zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 (Z Denmark ApS e.a.) en C-116/16 en C-117/16 (T Danmark e.a.) en
(v)heeft aangenomen dat de transparantierechtspraak ook geldt voor de vennootschapsbelasting.
fiscaalrechtelijk onvoldoende zijn afgescheiden van dat/die van haar oprichter/alleenheerser. Dat oordeel berust enerzijds op uitleg van Oostenrijks recht, over eventuele schending waarvan niet met vrucht geklaagd kan worden in cassatie (zie art. 79 Wet Pro RO) en anderzijds op waardering van feiten, waarover – behoudens onbegrijpelijkheid, die zich niet voordoet – in cassatie evenmin geklaagd kan worden.
fraus legis, maar om fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten en de civielrechtelijke verhoudingen. Dit is vergelijkbaar met de fiscale kwalificatie ‘eigen vermogen’ waar civielrechtelijk de kwalificatie ‘lening’ zou vigeren.
fraus legis.
nietvoldoende is afgescheiden van het vermogen van [B] . De transparantiejurisprudentie staat mijns inziens (ook) overigens los van het APV-regime, dat ‘zwevend vermogen’ (
trust-vermogen) wil vangen dat
nietaan een persoon toerekenbaar is omdat degene die kan beschikken, niet zal of niet mag genieten en de mogelijke toekomstige genieter (de verwachter) niet kan beschikken. De transparantiejurisprudentie daarentegen gaat slechts over de keuze tussen twee wél in aanmerking komende genieters. De transparantierechtspraak ziet daarmee op een terrein (wél toerekenbaarheid aan een persoon) waar het APV-regime (niet-toerekenbaarheid aan een persoon) niet op ziet. Van een doorkruising is daarom mijns inziens geen sprake. Het APV-regime is trouwens, zoals het Hof terecht heeft vastgesteld, niet van toepassing voor de dividendbelasting, behalve voor wat betreft de voorkoming van frustratie van de anti-
dividend washing-bepalingen, dus alleen voor de toepassing van art. 4(7) Wet DivB. Het APV-regime lijkt mij daarom in casu irrelevant.
uiteindelijkgerechtigd tot de dividenden. De belanghebbende daarentegen is
nietopbrengstgerechtigd in de zin van art. 1 Wet Pro DivB omdat het dividend fiscaalrechtelijk niet aan haar, maar aan haar civielrechtelijke alleenheerser toekomt. Zij heeft fiscaalrechtelijk het dividend niet genoten, hoezeer zij het civielrechtelijk ook genoten moge hebben. Aan de dogmatiek van de
uiteindelijkgerechtigde bestaat in haar geval dus mijns inziens geen behoefte, nu zij al geen (opbrengst)
gerechtigdeis. De belanghebbende kan toegegeven worden dat het Hof die stap heeft overgeslagen, c.q. een stap teveel heeft gezet: het hof is immers meteen van de kwalificatie ‘transparant’ gesprongen naar de kwalificatie niet-uiteindelijk-gerechtigd. Dat doet echter niet af aan de juistheid van ‘s hofs oordeel, nu een persoon die fiscaalrechtelijk
überhauptniet opbrengstgerechtigd is, uiteraard te minder
uiteindelijkgerechtigd kan zijn.
BNB1986/16 (zie 8.4 hierboven), niet zou gelden voor de vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting doet mijns inziens in casu niet ter zake. [B] is immers geen vennootschap. Uit HR
BNB1992/142 (zie 8.7 hierboven) volgt overigens dat uw transparantierechtspraak in voorkomende gevallen wel degelijk ook zal gelden voor de vennootschapsbelasting. Ik ga er met het hof van uit dat bedoeld zal zijn dat de transparantie-rechtspraak niet geldt voor de dividendbelasting. Die stelling lijkt mij onjuist. Als de transparantierechtspraak geldt voor de eindheffing (de inkomstenbelasting), moet hij mijns inziens juist zoveel mogelijk ook gelden voor de voorheffing, omdat anders, zoals het Hof terecht heeft overwogen, zinloze discrepanties zouden ontstaan tussen de belastingplichten voor de eind- en voorheffingen. Met het hof zie ik geen aanwijzing in uw rechtspraak – noch enige andere grond - om de dividendbelasting uitgesloten te achten van de transparantie-rechtspraak.
dividend-washing-gevallen) niet worden uitgesloten door het uiteindelijk-gerechtigde-criterium, geldt de belanghebbende automatisch als wél uiteindelijk gerechtigde, zo begrijp ik de belanghebbende.
Market maker-arrest HR
BNB1994/217, gewezen vóór de invoering van het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ in art. 10 Wet Pro DivB, heeft u als cumulatieve eisen voor uiteindelijk gerechtigdheid in de zin van art. 10 OESO Pro-Modelverdrag gesteld dat (i) de betrokkene eigenaar is van de dividendbewijzen, (ii) vrijelijk over de dividendbewijzen en, na inwisseling, over de dividenduitkering kan beschikken, en (iii) bij het inwisselen van de bewijzen (bij het ontvangen) niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. U heeft aldus kennelijk aangesloten bij het officiële commentaar bij het OESO-modelbelastingverdrag. Ook het HvJ EU heeft zich in de boven 7.4 geciteerde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 aangesloten bij het officiële OESO-Commentaar op het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’. Dat Hof heeft voor de toepassing van de Interest/royaltyrichtlijn en de Moeder/dochterrichtlijn gewezen naar de entiteit die het economische genot van de interest/het dividend heeft en derhalve vrij kan beslissen over het gebruik ervan.
Market maker-arrest, is in beide benaderingen de vrije beschikkingsmacht over de dividenden een vereiste. ’s Hofs feitelijke en in cassatie niet bestreden oordelen houden in dat [B] over de aandelen en de dividenden kon beschikken als waren het zijn eigen aandelen en dividenden, hetgeen impliceert dat de belanghebbende niet vrijelijk over de ontvangen dividenden kon beschikken en niet vrijelijk kon beslissen over het gebruik ervan. Ik meen dat de belanghebbende daarmee geen ‘uiteindelijk gerechtigde’ is in de zin van art. 10(1) Wet DivB.
BNB2014/20 [58] volgt dat Nederland niet de eis kan stellen dat de belanghebbende in Oostenrijk niet onderworpen is aan een belasting naar de winst, zodat de vraag resteert of de belanghebbende, als zij in Nederland was gevestigd, aan de Nederlandse vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De rechtbank heeft die vraag na een analyse van belanghebbendes kenmerken naar Oostenrijks recht niettemin in het midden gelaten en het hof is er niet op ingegaan. Ik meen daarom dat daarover in cassatie geen stellige uitspraken kunnen worden gedaan, zodat de zaak, als hij zo ver zou komen, verwezen zou moeten worden voor feitelijk onderzoek. Belanghebbendes stelling dat de Staatssecretaris te laat zou zijn met zijn stelling dat de belanghebbende in Nederland onderworpen zou zijn, kan ik niet plaatsen, nu de inspecteur bij de feitenrechters standvastig heeft volgehouden dat de belanghebbende eerder BV-achtig dan niet-nijvere-stichting-achtig is, en zoals bekend, zijn BV’s wel degelijk onderworpen aan de vennootschapsbelasting.