Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 24 juli 2013, nr. BK‑11/00943, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, had zijn woning in 2004 aan een stichting geleverd die hij had opgericht, waarbij de stichting certificaten had uitgegeven aan zijn kinderen. De stichting verleende aan de echtgenote van belanghebbende een tijdelijk recht van erfpacht en een recht van opstal op de woning, waarvoor een jaarlijkse erfpachtcanon werd betaald.
De Inspecteur weigerde de aftrek van deze erfpachtcanon in de inkomstenbelasting. Zowel de rechtbank als het hof verklaarden het beroep ongegrond. Het hof oordeelde dat de betalingen niet als aftrekbare erfpachtbetalingen konden worden aangemerkt omdat belanghebbende en zijn echtgenote feitelijk over het vermogen konden blijven beschikken alsof het hun eigen vermogen was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad vond dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de feitelijke waarderingen niet onbegrijpelijk waren. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de erfpachtcanon niet aftrekbaar is.