Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 23 november 1983 betreffende de hem voor het jaar 1975 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, enig bestuurder en kind van de oprichtster van een stichting, werd aangeslagen voor inkomstenbelasting waarbij de inkomsten en het vermogen van de stichting bij zijn inkomen werden geteld. Het hof oordeelde dat belanghebbende feitelijk vrij kon beschikken over het vermogen en de inkomsten van de stichting, waardoor deze als zijn eigen vermogen moesten worden beschouwd.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof onterecht van dit vermoeden was uitgegaan en dat het vermogen van de stichting en dat van hem gescheiden moesten blijven. De Hoge Raad stelde vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de statutaire beperkingen op de beschikkingsmacht niet wezenlijk waren.
De Hoge Raad oordeelde dat als vaststaat dat belanghebbende als ware het zijn eigen vermogen over het stichtingvermogen kan beschikken, verdere eisen niet nodig zijn. De klacht dat het hof onvoldoende had gemotiveerd werd gegrond verklaard, waarna het arrest werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor nader onderzoek naar de omvang van de beschikkingsmacht van belanghebbende over het stichtingvermogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar de beschikkingsmacht van belanghebbende over het stichtingvermogen.