Conclusie
Alliander N.V.,
Liander N.V.,
De Ronde Venen/Stedin c.s.,op goede gronden heeft geoordeeld dat in dit geval voor opzegging een voldoende zwaarwegende grond vereist was, dat de door de gemeente aangevoerde opzeggingsgronden echter niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd en dat de opzegging van de overeenkomsten derhalve zonder rechtsgevolg is gebleven.
1.Feiten en procesverloop
primair, dat de overeenkomsten zonder meer kunnen worden opgezegd, zonder dat daarvoor een voldoende zwaarwegende grond aan haar zijde moet bestaan, en
subsidiair, dat dergelijke zwaarwegende gronden wel voorhanden zijn.
ECLI:NL:HR:1999:AA3821 (
Maison Louis La tour/P. de Bruijn Wijnkopers)). Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 28 oktober 2011,
ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.5.1 (
SNU-Stedin/gemeente de Ronde Venen).
ECLI:NL:HR:2016:660 (
Gooisch Natuurreservaat c.s./gemeente Amsterdam)).
geen verandering heeft gebracht in het feit dat SNU geen vergoeding behoeft te betalen voor het mogen hebben van leidingen en kabels in gemeentegrond.’ (r.o. 3.1 onder vi). ‘
De situatie dat SNU geen tegenprestatie verschuldigd is voor het hebben van de kabels en de leidingen in gemeentegrond, wordt onder de Verordening gecontinueerd’ (r.o. 3.5.3).
ECLI:NL:HR:2016:1267 (in r.o. 2.5.4) uitgemaakt dat een uit het gebruik van haar
publiekrechtelijke bevoegdhedenvoor de gemeente voortvloeiende gedoogplicht ten aanzien van gas- en elektriciteitsleidingen in gemeentegrond niet aan de heffing van precariobelasting in de weg staat. In geval van een contractuele gedoogplicht evenwel ligt dit anders. De Hoge Raad oordeelde dienaangaande in zijn juist genoemde uitspraak (in r.o. 2.5.4 in fino) als volgt:
ECLI:NL:HR:2009:BJ1999, waarin de Hoge Raad (in r.o. 3.4.2) oordeelde:
grief 2, neergelegd in de memorie van grieven onder IV.3, slaagt en de grieven 3 en 4 bij gebrek aan belang geen behandeling behoeven.” [15]
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
De Ronde Venen/Stedin c.s., tot het oordeel gekomen dat:
De Ronde Venen/Stedin c.s.Daarna is het leerstuk in een reeks van uitspraken nader uitgewerkt. In het arrest van 2 februari 2018 geeft uw Raad het volgende overzicht van de actuele stand van zaken [18] :
NJ2012/685, rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163,
NJ2013/341, rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134,
NJ2016/450, rov. 4.4.2)
NJ2016/450, rov. 4.4.2)
NJ2016/236, rov. 4.4)” [19]
De Ronde Venen/Stedin c.s.was de opzegging, in 2006, door de gemeente De Ronde Venen van een tweetal in 1989 en 1994 met de rechtsvoorgangers van N.V. Stedin Netten Utrecht (SNU) en Stedin B.V. (eigenaar resp. netbeheerder van gas- en elektriciteitsnetten, hierna tezamen: Stedin c.s.) gesloten overeenkomsten voor onbepaalde tijd op grond waarvan (de rechtsvoorgangers van) Stedin c.s. leidingen en kabels in de grond van de gemeente mochten leggen en houden.
Latour/De Bruijnvan uw Raad van 3 december 1999 [23] oordeelde het hof dat, nu de overeenkomsten inhielden dat de kosten van verlegging voor rekening van de gemeente waren, deze een relevante waarde vertegenwoordigden voor Stedin c.s. en dat daarom de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval meebrachten dat de gemeente voor de opzegging van de overeenkomsten een voldoende zwaarwegende grond diende te hebben (rov. 4.8 en 4.9). De gronden van de gemeente voor de opzegging, waarvoor het hof vooral verwees naar de wens om te komen tot een uniform regime voor alle nutsbedrijven, waren volgens het hof niet voldoende zwaarwegend om tot beëindiging van de overeenkomsten te leiden (rov. 4.10).
De Ronde Venen/Stedin c.s.achtereenvolgens:
in een geval als dit” de eisen van redelijkheid en billijkheid
nietmeebrengen dat de Gemeente, in verband met het feit dat de verlegregeling onder de verordening minder gunstig wordt voor SNU, een zwaarwegende grond voor de opzegging dient te hebben. Uw Raad heeft daarbij aangetekend dat het hof geen omstandigheden heeft vastgesteld (waaronder (bijzondere) afhankelijkheid van Stedin c.s. van voortzetting van de overeenkomsten) die zijn oordeel kunnen dragen dat de gemeente een zwaarwegende grond voor opzegging dient te hebben. [24]
opgezegdepartij maar ook omstandigheden – c.q. redenen voor opzegging – aan de zijde van de
opzeggendepartij een rol kunnen spelen. De woorden “
in een geval als dit” in rov. 3.5.4 duiden er immers op dat uw Raad tot zijn oordeel is gekomen op basis van een afweging van zowel de in rov. 3.5.2 weergegeven reden voor opzegging van de gemeente (de gewijzigde verhouding tussen gemeente en netbeheerders) als de in rov. 3.5.3 genoemde omstandigheden aan de zijde van Stedin c.s. (aard en omvang van het verlies aan de zijde van Stedin c.s.). [25]
Auping/Beverslaap) [26] , dat naar het oordeel van uw Raad een dergelijke bijzondere) afhankelijkheid zonder meer betekent dat er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist. In dit arrest oordeelde uw Raad immers (in rov. 3.7) dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden (o.a. dat Beverslaap en de aan haar gelieerde e-Bedding B.V. voor een groot deel afhankelijk waren van de omzet in Auping-producten) naar de maatstaven uit het arrest
De Ronde Venen/Stedin c.s.niet zonder meer meebrachten dat een zwaarwegende grond voor opzegging van de bestaande commerciële relatie aanwezig moest zijn. Het oordeel van het hof dat in dit geval sprake moest zijn van een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging gaf dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [27]
geenzwaarwegende grond voor opzegging vereist is.
De Ronde Venen/Stedin c.s.– dat met zich brengt dat de gemeente niet langer bevoegd is om als eigenaar op te treden tegen de aanwezigheid van het netwerk – aan de heffing van precariobelasting in de weg. [31] Opzegging van de duurovereenkomst in kwestie maakt derhalve de weg vrij voor het heffen van precariobelasting.
De Ronde Venen/Stedin c.s.beslechte geschil in zoverre anders is dan de onderhavige zaak dat het in
De Ronde Venen/Stedin c.s. ingestelde publiekrechtelijke regime geen verandering bracht in het kosteloos liggen van kabels en leidingen, heeft overwogen dat de vraag rijst wat
dit verschilbetekent voor de onderhavige opzeggingen.
De Ronde Venen/Stedin c.s.aldus heeft uitgelegd dat, indien het gewijzigde beleid van de gemeente De Ronde Venen wél zou hebben geleid tot het door Stedin c.s. verschuldigd worden van een tegenprestatie ter zake het hebben van kabels en leidingen in gemeentegrond, dat (zonder meer) zou hebben geleid tot een ander oordeel van uw Raad, te weten: dat in dat geval wél een zwaarwegende grond voor opzegging zou zijn vereist. Het subonderdeel klaagt dat in dat geval het hof is uitgegaan van een onjuiste lezing van het arrest
De Ronde Venen/Stedin c.s.
De Ronde Venen/Stedin c.s.door uw Raad gegeven oordeel – dat de gemeente De Ronde Venen kon opzeggen zonder zwaarwegende grond – uitdrukkelijk in de sleutel staat van
alle(relevante) omstandigheden van het geval (verwezen wordt naar rov. 3.5.1), waaronder (naast het kosteloos zijn van het contractuele ligrecht van de netbeheerder) de omstandigheden (i) dat de netbeheerder sinds de liberalisering van de energiemarkt geen overheidsbedrijf zonder winstoogmerk meer is (rov. 3.5.2) en (ii) dat de netbeheerder in zijn bedrijfsvoering niet (in bijzondere mate) van voortzetting van de overeenkomst afhankelijk is (rov. 3.5.4).
De Ronde Venen/Stedin c.s.in de sleutel staat van alle relevante omstandigheden van het geval (zie hiervoor, onder 2.9).
De Ronde Venen/Stedin c.s. noopt tot een weging van
allebij de opzegging van een overeenkomst met een netbeheerder (drinkwaterbedrijf) relevante omstandigheden van het geval, noch gemeend dat uw Raad
a priorieen gekwalificeerd gewicht heeft toegekend aan het kosteloos zijn van het contractuele ligrecht van de netbeheerder ten opzichte van andere door uw Raad in die zaak in aanmerking genomen omstandigheden, waaronder (i) het feit dat de netbeheerder al enige decennia geen overheidsbedrijf zonder winstoogmerk meer is en (ii) het feit dat de netbeheerder in zijn bedrijfsvoering niet (in bijzondere mate) afhankelijk is van voortzetting van de overeenkomst. Dat kan als volgt worden toegelicht.
De Ronde Venen/Stedin c.s. De gemeente heeft aangevoerd:
Geen onderscheid met de zaak De Ronde Venen/Stedin
nietdat Liander in een situatie van rechtsonzekerheid komt te verkeren. Op grond van het overgangsrecht in de AVOI kreeg Liander immers vanaf het moment van het eindigen van de Overeenkomst een publiekrechtelijke vergunning voor het hebben van haar kabels en leidingen in de gronden van de gemeente. Hiermee is aldus verzekerd dat Liander haar kabels en leidingen niet uit de gemeentegrond hoeft te halen.
De Ronde Venen/Stedin c.s.– in rov. 5.7 een
vergelijkingheeft gemaakt tussen de situatie in dat arrest – waarin naar het oordeel van uw Raad de gemeente niet een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging behoefde te hebben – en het hier aan de orde zijnde geval. In dat verband heeft het hof overwogen:
De Ronde Venen/Stedin c.s.vergelijkbaar is met de onderhavige zaak voor wat betreft het instellen van een publiekrechtelijk regime voor aanleg en verleggen van kabels en leidingen in de plaats van de desbetreffende overeenkomsten;
De Ronde Venen/Stedin c.s.in aanmerking genomen situatie en de situatie in de onderhavige procedure op slechts
éénessentieel punt verschillen – de opzeggingen in deze zaak brengen mee wél mee dat een vergoeding (i.e. precariobelasting) verschuldigd wordt voor de aanwezigheid van kabels en leidingen – welk verschil er eventueel toe zou
kunnenleiden dat in deze procedure, anders dan in de procedure
De Ronde Venen/Stedin c.s., de conclusie moet zijn dat er wel een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist.
explicietaandacht te besteden aan (de stellingen van de gemeente betreffende)
(i) de gewijzigde verhouding tussen de gemeente en netbeheerders, zijnde één van de redenen van de gemeente Voorst voor opzegging van de overeenkomsten. [39] Op dat punt verschilt het onderhavige geval immers niet van “
de door de Hoge Raad in aanmerking genomen situatie” in de zaak
De Ronde Venen/Stedin c.s.Zoals hiervoor uiteengezet, kwam uw Raad in rov. 3.5.4 van dat arrest immers op basis van een afweging van de in rov. 3.5.2 weergegeven reden voor opzegging voor de gemeente (de gewijzigde verhouding tussen de gemeente en netbeheerders) en de in rov. 3.5.3 genoemde omstandigheden aan de zijde van Stedin c.s. (de aard en omvang van het verlies van Stedin c.s.) tot het oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid niet meebrachten dat de gemeente, in verband met het feit dat de verlegregeling onder de verordening minder gunstig werd voor Stedin c.s., een zwaarwegende grond voor de opzegging diende te hebben.
De Ronde Venen/Stedin c.s.– de aard en omvang van het als gevolg van de opzegging aan de zijde van de opgezegde partij intredende nadeel (naast de ongunstiger verlegregeling: het verschuldigd worden van precariobelasting door Liander en de daarmee verband houdende gevolgen voor de afnemers),
afgewogentegen de –
evenalsin het geval
De Ronde Venen/Stedin c.s.– inmiddels gewijzigde verhouding tussen gemeente en netbeheerders, er in deze zaak toe leiden dat de balans doorslaat in het ‘voordeel’ van Liander in die zin dat een voldoende zwaarwegende reden voor opzegging vereist is.
(ii) de (on)afhankelijkheid van de opgezegde partijgeldt dat het hof dat wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken. Het betoog waar de gemeente op doelt is met name terug te vinden in CvA, par. 90-96. De gemeente heeft daar gesteld dat indien en voor zover Liander heeft willen betogen dat zij voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van voorzetting van de overeenkomsten en om die reden een zwaarwegende grond voor opzegging is vereist, de gemeente Liander daarin niet volgt (par. 91 e.v.), onder meer omdat Liander in staat is om haar precariolasten (deels) door te belasten aan de eindgebruiker (par. 95) en het risico van de toenemende precariobelastingdruk voor de bedrijfsvoering door Liander zelf wordt ingeschat als matig (par. 96).
geenzwaarwegende grond voor opzegging vereist is.
De Ronde Venen/Stedin c.s.noopt tot een weging van alle relevante omstandigheden van het geval. Het hof heeft de in het subonderdeel genoemde aspecten (i) en (ii) immers impliciet respectievelijk expliciet in zijn beoordeling betrokken.
subonderdeel 2.4. Dat klaagt over onbegrijpelijkheid van de respons van het hof in rov. 5.11 (eerste alinea) (vanaf: “
Anders dan de gemeente”, toev. A-G) op de stellingname van de gemeente dat in het onderhavige geval geen sprake is van een contractuele gedoogplicht die aan heffing van precariobelasting in de weg staat (zodat heffing van precariobelasting door de gemeente voor de vraag naar de opzegbaarheid van de onderhavige overeenkomsten niet ter zake doet, althans niet doorslaggevend kan zijn). Anders dan het hof blijkens zijn overwegingen aldaar kennelijk heeft aangenomen, was de strekking van de desbetreffende stellingname van de gemeente [40] niet, dat zij uit de jurisprudentie van uw Raad afleidde dat een contractuele gedoogplicht (als zodanig) niet aan precarioheffing in de weg staat (kan staan), maar dat zulks het geval is wanneer de vennootschap waarvan precariobelasting wordt geheven geen partij is bij een overeenkomst waarin een contractuele gedoogplicht ter zake van (kort gezegd) kabels en leidingen in, op of boven gemeentegrond is opgenomen, hetgeen ook aan de orde is in dit geval, waarin precariobelasting wordt geheven van een vennootschap uit de Liander-groep (Liander N.V.), die (naar Liander zelf aanneemt) géén partij is bij de overeenkomsten die onderwerp zijn van de onderhavige procedure. [41]
Bestaan overeenkomsten staat überhaupt niet aan precarioheffing van Liander in de weg”) op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de contractuele gedoogplicht van de gemeente er in
ditgeval
nietaan in de weg staat dat precario wordt geheven. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat precario wordt geheven bij Liander N.V. en dat niet deze vennootschap, maar Liander Infra Oost N.V. (thans genaamd: Liander Infra N.V., toev. A-G) als partij bij de overeenkomsten uit 1923 en 1976 moet worden aangemerkt. De gemeente heeft zich in dit verband beroepen op rechtspraak van de belastingkamer van uw Raad [44] waaruit zou blijken dat het bestaan van een contractuele gedoogplicht ten aanzien van de ene vennootschap (in casu Liander Infra Oost N.V.), er niet aan in de weg staat dat van een andere (in casu netbeheerder Liander N.V.), die geen partij is bij de overeenkomst, precariobelasting wordt geheven.
Naarden [45] en van 10 juli 2009 m.b.t. de precarioheffing door de gemeente
Zaanstad [46] overwogen – samengevat – dat, anders dan de gemeente aanneemt, een gedoogplicht ten aanzien van gas- en elektriciteitsleidingen in gemeentegrond die voortvloeit uit het gebruik van een publiekrechtelijke bevoegdheid niet in de weg staat aan precarioheffing, maar het bestaan van een contractuele gedoogplicht wél. Volgens het hof is in de overeenkomsten van 1923 en 1976 sprake van contractuele gedoogplichten, zodat de onderhavige opzeggingen wel degelijk relevant zijn voor precarioheffing.
Zaanstadgeen uitsluitsel. In dat geval diende tot uitgangspunt dat de desbetreffende overeenkomst, die eertijds was gesloten met een andere vennootschap, ook gold tussen de gemeente en de netbeheerder/belanghebbende. [47]
Naarden [48] en
Blaricum [49] stond de vraag centraal of precario kon worden geheven van de netbeheerder/economisch eigenaar van een elektriciteits- en gasnetwerk, waarvan de juridische eigendom toebehoorde aan haar twee 100%-dochtervennootschappen. De netbeheerder bestreed de heffing met een beroep op overeenkomsten van de gemeenten met haar rechtsvoorgangers.
partijis bij de desbetreffende overeenkomst.
Blaricumdolf de netbeheerder het onderspit omdat, naar het hof terecht had vastgesteld, de dochters rechtsopvolgers waren van de rechtspersonen met wie de gemeente de overeenkomsten destijds had gesloten en de aan die overeenkomsten te ontlenen rechten niet aan de beheerder waren overgedragen. [50]
Naardenwas nog niet komen vast te staan of de netbeheerder zich op de met de gemeente gesloten overeenkomst kon beroepen. Dat moest na verwijzing nog worden vastgesteld. [51]
nietaan in de weg staan dat van netbeheerder Liander N.V. precariobelasting wordt geheven.
subonderdeel 4.1, dat is gericht tegen rov. 5.11 (tweede alinea). Het subonderdeel klaagt (onder meer) dat gelet op het gestelde in subonderdeel 2.4, het hof heeft miskend dat het aan een onderzoek naar de vraag, of de door de gemeente gegeven redenen voor de opzeggingen voldoende zwaarwegend zijn, niet kon toekomen voor zover die redenen betrekking hebben op de mogelijkheid van precarioheffing, aangezien de gemeente daartoe in dit specifieke geval, ondanks het bestaan van een contractuele gedoogplicht, wél bevoegd is.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
niet zomaar tot opzegging [kon] overgaan” heeft Liander, naast haar beroep op misbruik van bevoegdheid door de gemeente, (inderdaad) betoogd dat de overeenkomsten naar hun aard en inhoud niet opzegbaar zouden zijn. [56] Dit betoog mondde uit in een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen op het voortduren van de overeenkomsten. In par. 35 heeft Liander gesteld: