Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van de verdachte, althans dat diens voordeel ontoereikend is gemotiveerd.
kanhet verzuim nadeel voor de verdachte opleveren.
NJ2018/335 m.nt. Reijntjes. Aan de verdachte was naar aanleiding van – kort gezegd – het rijden zonder geldig rijbewijs een zogenoemde ‘combibon’ uitgereikt (vgl. art. 257c, vierde lid, Sv). Op die bon was kennelijk per abuis een kruisje gezet bij het vakje ‘aankondiging van een beschikking’, in plaats van bij het vakje ‘kennisgeving van bekeuring’. De verdachte werd uiteindelijk gedagvaard. In hoger beroep bepleitte de verdediging het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Aangevoerd werd dat door het zetten van het (onjuiste) kruisje bij de verdachte het vertrouwen was opgewekt dat hem een strafbeschikking zou worden aangeboden en dat hij dus niet zou worden gedagvaard in verband met het ten laste gelegde. Het hof verwierp het beroep op niet-ontvankelijkheid. Dit oordeel bleef in cassatie in stand. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheid dat het verkeerde kruisje was aangekruist niet bij de verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat aan hem een strafbeschikking zal worden aangeboden en dat hij niet zal worden gedagvaard niet onbegrijpelijk. Daarbij nam hij mede in aanmerking dat namens de verdachte in de kern was aangevoerd dat voor hem 'onduidelijk' was gebleven op welke wijze het geconstateerde feit zou worden afgedaan. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat het aangevoerde niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.