Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
swift administrative action to deprive the driving license of its usefulness as an identity document” en dat het uitblijven daarvan (de voorzetting van) de identiteitsfraude mogelijk heeft gemaakt (rov. 4.12.).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
DE SCHADE
primairvordert dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van (kort gezegd) € 62.000 (vordering XIII.) en
subsidiairvordert dat een deskundige wordt benoemd die de schadevergoeding zal vaststellen of dat de zaak wordt verwezen naar een schadestaatprocedure (vordering XIV.). Het hof heeft de primaire vordering verworpen door in rov. 3.15 te oordelen dat [eiser] (ook in hoger beroep) de door hem gestelde schade onvoldoende heeft toegelicht. Vervolgens heeft het hof in het slot van rov. 3.15 ook de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure verworpen. In deze oordelen ligt een ‘verwerping’ van de gevorderde benoeming van een deskundige – het benoemen van een deskundige betreft immers een discretionaire bevoegdheid van de feitenrechter [14] – besloten.
ten behoeve van een deskundigenbericht/schadestaatprocedureis niet onbegrijpelijk. Immers, als [eiser] de stukken had willen gebruiken ten behoeve van de bij het hof voorliggende procedure als zodanig, dan had het voor de hand gelegen de vordering bij wege van incident in te stellen zodat daarop eerst kon worden beslist. [15] Het ligt evenmin voor de hand dat [eiser] heeft bedoeld een geheel op zichzelf staande exhibitievordering in te stellen, bijvoorbeeld ten behoeve van een andere procedure. [eiser] heeft de vordering tot overlegging van documenten immers ‘ingebed’ in de vordering tot benoeming van een deskundige dan wel verwijzing naar een schadestaatprocedure, hetgeen op zijn minst de suggestie wekt dat de gevraagde gegevens met het oog op deze procedures worden verzocht. Bovendien betreft het een subsidiaire vordering (randnummer 3.6 hiervoor). Kennelijk had [eiser] geen behoefte aan de gevraagde gegevens als de primaire vordering (betaling van schadevergoeding) was toegewezen, hetgeen er niet op wijst dat [eiser] de gegevens voor een ander doel behoefde. Ten slotte heeft [eiser] in de procedure niet onderbouwd waarom hij de gegevens – anders dan ten behoeve van het gevraagde deskundigenonderzoek c.q. schadestaatprocedure – nodig had en welk belang hij daarbij had. [16] Dat de Staat – zij het summier – op de vordering van [eiser] is ingegaan, maakt dit niet anders, omdat uit het verweer van de Staat – kort gezegd inhoudende dat de Staat reeds alle relevante beschikbare stukken heeft overgelegd – niet volgt dat de Staat de vordering als op zichzelf staande exhibitievordering heeft opgevat. [17]
onderdeel 1niet kan slagen.
Blauw oog-arrest [20] wel leek te volgen. Dat neemt echter niet weg dat de drempel om smartengeld te kunnen vorderen hoog is. [21] De enkele schending van een fundamenteel recht is niet voldoende om tot een aantasting in de persoon te kunnen oordelen en een beroep op aantasting in de persoon moet – uitzonderingen daargelaten – met concrete gegevens worden onderbouwd, zowel in de gevallen waarin geestelijk letsel is opgelopen, als in de andere gevallen.
X./Staatheb ik een lans gebroken voor een enigszins ruimere toepassing van schadevergoeding wegens aantasting in de persoon buiten gevallen van geestelijk letsel. Uw Raad lijkt daartoe echter niet bereid en heeft, behoudens de hiervoor (randnummer 3.15) vermelde verduidelijking dat geestelijk letsel niet steeds (als uitgangspunt) is vereist, min of meer vastgehouden aan de reeds uit eerdere rechtspraak af te leiden hoge drempel. [22] Mede gezien het geringe tijdsverloop sinds die uitspraak zie ik geen aanleiding te veronderstellen dat Uw Raad hierover thans anders zou oordelen. De in het onderdeel opgenomen roep om een ruimere toepassing van art. 6:106 lid Pro 1, onder b BW, behoeft daarom mijns inziens niet te worden gevolgd.
onderdeel 2dient te falen.