Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Artikel 5:
heeftde verklaring afgelegd en appellante beroept zich erop. Het enkele tijdsverloop tussen het verlijden van de akte en het opstellen van de verklaring daarover is onvoldoende reden om op voorhand aan de juistheid ervan te twijfelen.
beiden gehoord. Ik weet dat mijn zus toen recht had op een weduwepensioen. Er zijn tussen hen afspraken gemaakt dat als er iets met [erflater] zou gebeuren dat mijn zus recht zou hebben op een financiële toelage tot haar pensioengerechtigde leeftijd. Ik heb geregeld met [erflater] over verschillende zaken gesproken en ook hier over. Ik heb van hem gehoord dat dit ook is vastgelegd in een akte.”
De bedoeling van partijen is geweest dat deze uitkering niet eindigt bij overlijden van [erflater] .”) in die zin toegelicht dat hij beoogd heeft daarmee artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst uit te leggen. Daarmee heeft de getuige naar het oordeel van het hof niets teruggenomen van de kern van zijn schriftelijke verklaring. In ieder geval is uit diens getuigenverklaring op geen enkele wijze af te leiden dat partijen destijds enige andere bedoeling hebben gehad dan dat de verplichting tot uitkering zou voortduren na het overlijden van [erflater] . Dat artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst deze strekking heeft, wordt bevestigd door de verklaring van getuige [betrokkene 4] . Het hof ziet in de familierelatie tussen deze getuige en appellante geen grond om, zoals geïntimeerden betogen, te twijfelen aan de geloofwaardigheid van haar verklaring. Daarvoor hebben geïntimeerden trouwens ook geen concrete redenen aangevoerd. De verklaring van appellante zelf, ten slotte, bevestigt eveneens dat de verplichting niet eindigde met het overlijden van [erflater] . Voor haar verklaring geldt op zich de beperking van artikel 164 lid 2 Rv Pro maar het vereiste aanvullend bewijs is in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voorhanden.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.2.1 en 1.2.2wordt naar voren gebracht dat het hof de bedoeling van partijen beslissend acht zonder een oordeel te geven over de juridische kwalificatie van de verplichting, terwijl het hof de grondslag van de verplichting wél had dienen te kwalificeren om de vraag te beantwoorden of de verplichting van [erflater] ná het overlijden van [erflater] voortduurt. Aangezien [verweerster] , aldus
subonderdeel 1.2.6, in gebreke is gebleven de rechtsgrond van de door haar gepretendeerde aanspraken (na overlijden van [erflater] ) te stellen (laat staan aannemelijk te maken), hetgeen het hof volgens het subonderdeel heeft miskend, had het hof niet aan de vraag van uitleg van de overeenkomst en ‘de bedoeling van partijen’ behoren toe te komen.
NJ1989/732, Erven Gaasbeek [10] ). De omstandigheden waaronder en de toeleg waarmee de overeenkomst tot stand kwam, kunnen echter meebrengen dat de overeenkomst een geoorloofde oorzaak mist (HR 8 december 1972,
NJ1973/496, Erven Hoitsma [11] ).
hoogstpersoonlijkeonderhoudsverplichting, dan zal deze verplichting niet vererven zoals onderdeel I betoogt. Indien dit niet het geval is, dan is het ook mogelijk dat de verplichting is geëindigd met het overlijden van [erflater] indien dit uit de samenlevingsovereenkomst voortvloeit. Dit zal aan de orde komen in het kader van de bespreking van onderdeel II, waar het gaat om de uitleg van de samenlevingsovereenkomst en de bedoeling van partijen. En tot slot is de kwalificatie van de verplichting van belang voor het betoog in onderdeel I dat de verplichting door het overlijden van [erflater] niet meer bestaat omdat er sprake zou zijn van nietigheid. In onderdeel I wordt namelijk betoogd dat de verplichting een onder het oude schenkingsrecht aangegane schenking bij dode betreft en deze verplichting voor zover deze zou zien op de periode na overlijden van [erflater] nietig is ingevolge artikel 7A:1703 lid 2 (oud) BW en het overgangsrecht. Hier ga ik in de randnummers 2.13 en 2.14 op in.
wettelijkeonderhoudsverplichting (alimentatie) een hoogstpersoonlijke verplichting die eindigt bij het overlijden van (de alimentatiegerechtigde danwel) de alimentatieplichtige en dus niet vererft. In literatuur wordt (ook met verwijzing als voorbeeld naar het hier aan de orde zijnde bestreden arrest van het hof) opgemerkt dat dit onverlet laat dat partijen (bijvoorbeeld ex-echtgenoten of ex-samenlevers) wel de contractuele vrijheid hebben om een zogenoemde postmortale alimentatieovereenkomst te sluiten. In een dergelijke overeenkomst tussen ex-partners verplicht een van de partijen zich tot betaling van alimentatie (of daarmee vergelijkbare periodieke uitkeringen) aan de alimentatiegerechtigde tot deze een bepaalde leeftijd heeft bereikt, ook al overlijdt de alimentatieplichtige eerder. [16] Of een dergelijke postmortale alimentatieovereenkomst rechtsgeldig is en of art. 4:4 lid 2 BW Pro aan een dergelijke overeenkomst in de weg staat, wordt besproken in de subonderdelen 1.2.2 tot en met 1.2.4.
subonderdeel 1.2.2dat het hof heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake artikel 7A:1703 lid 2 (oud) BW en/of art. 25 Rv Pro heeft geschonden. Volgens het subonderdeel heeft [verweerster] niets, althans onvoldoende, gesteld over de grondslag van de verplichting (bij dode), terwijl [eisers] hebben gewezen op het eenzijdige, onverplichte karakter van de door [erflater] op zich genomen verplichting en zij betoogd hebben dat voor het opleggen van een dergelijke verplichting aan de erfgenamen tot doorbetaling van de uitkering aan [verweerster] na overlijden van [erflater] een legaat noodzakelijk zou zijn geweest en de overeenkomst dus niet volstaat. Het hof had dan ook op grond van de feiten en de stelling van [eisers] , zo nodig met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden (art. 25 Rv Pro), tot het oordeel moeten komen dat de door [erflater] in artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst op zich genomen verplichting een schenking is. Voor zover deze onder het oude schenkingsrecht gesloten schenkingsovereenkomst daadwerkelijk betrekking zou hebben op de periode na overlijden van [erflater] , betoogt het subonderdeel dat sprake is van een schenking bij dode en deze in zoverre nietig is ingevolge artikel 7A:1703 lid 2 (oud) BW en het overgangsrecht.
Subonderdeel 1.2.3klaagt vervolgens dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtstoepassing, althans dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, indien het hof zou hebben geoordeeld dat het oude schenkingsrecht niet van toepassing is, gelet op het bepaalde in artikel 81 Overgangswet Pro Nieuw BW, aangezien aan de voorwaarden voor bekrachtiging niet voldaan is.
subonderdeel 1.2.4wordt geklaagd dat het rechtens onjuist en onbegrijpelijk is indien het hof heeft geoordeeld dat het een kwalificatie van de rechtsgrond van de verplichting in het midden heeft kunnen laten, omdat [eisers] zich niet met zo veel woorden op de (kwalificatie) schenking bij dode (en de nietigheid daarvan) hebben beroepen. Bovendien wordt aangevoerd dat in de stellingen van [eisers] in voldoende mate een beroep besloten ligt op de nietigheid van de afspraak uit artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst voor zover deze zou zien op de periode na overlijden van [erflater] . Mede gelet op het in gebreke blijven van [verweerster] om de grondslag van de verplichting te duiden, is het volgens het subonderdeel zonder nadere motivatie onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van [erflater] niet aldus heeft uitgelegd en/of onvoldoende heeft bevonden.
subonderdelen 1.2.2 tot en met 1.2.4slagen niet. Dat het hof in onderhavige zaak geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de verplichting een schenking is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De stelling van [eisers] dat zij hebben gewezen op het eenzijdige, onverplichte karakter van de door [erflater] op zich genomen verplichting en dat [eisers] betoogd hebben dat voor het opleggen van een dergelijke verplichting aan de erfgenamen tot doorbetaling van de uitkering aan [verweerster] na overlijden van [erflater] een legaat noodzakelijk zou zijn geweest en de overeenkomst dus niet volstaat, is wezenlijk anders dan het betoog in cassatie dat als de verplichting buiten een testament om wordt aangegaan er dan sprake zou zijn van een schenking, die onder het tot 1 januari 2003 geldende schenkingsrecht nietig zou zijn voor zover deze schenking betrekking heeft op de periode na overlijden van [erflater] . Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof het betoog van [erflater] dat uitsluitend een uiterste wilsbeschikking (een eenzijdige, hoogstpersoonlijke, herroepelijke rechtshandeling met werking na overlijden) en niet een overeenkomst volstaat voor een dergelijke verplichting met werking bij dode, niet heeft opgevat als een betoog dat sprake zou zijn van een eenzijdige overeenkomst (een schenking), die nietig is voor zover de schenkingsovereenkomst betrekking zou hebben op de periode na overlijden ingevolge artikel 7A:1703 lid 2 (oud) BW. Het is bovendien de vraag of de (in 1999 aangegane) verplichting gekwalificeerd kan worden als een schenking en, zo ja, of sprake is van nietigheid. De beantwoording van deze vragen is echter verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.
subonderdeel 1.2.5wordt geklaagd dat het hof in rov. 4.9 van het tussenarrest eraan voorbij gaat dat art. 7:990 BW Pro waarnaar het hof verwijst alleen lijfrente als recht betreft en niet de rechtsgrond waaruit zij kan ontstaan. Het hof heeft volgens het subonderdeel ‘lijfrente’ niet als mogelijke ‘grondslag’ voor de vordering van [verweerster] kunnen aanmerken zodat het oordeel van het hof in zoverre blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Omdat het hof in rov 4.9 van het tussenarrest slechts twee mogelijke ‘kandidaten’ voor de kwalificatie van de overeenkomst zag (‘een met alimentatie vergelijkbare afspraak’ of een ‘lijfrente’), de ‘lijfrente’ volgens het subonderdeel als mogelijke ‘kandidaat’ afviel en [verweerster] verzuimd heeft een andere grondslag aan te voeren, had het hof de vordering moeten afwijzen omdat de overgebleven onderhoudsverplichting als hoogstpersoonlijke verplichting gebonden is aan het in leven zijn van de onderhoudsplichtige en eindigt bij diens dood. Ook om die reden is ingevolge subonderdeel 1.2.5 het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
eerste onderdeelgeen doel treft.
subonderdeel 2.2blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst te hanteren maatstaf, althans het oordeel van het hof is ontoereikend gemotiveerd. Deze klacht wordt nader toegelicht in de hierna, samengevat, weergegeven subonderdelen 2.3 tot en met 2.4.8.
subonderdelen 2.4 tot en met 2.4.8zien op de uitleg van de bedoeling van partijen en het daarbij te hanteren criterium.
subonderdeel 2.4.2wordt geklaagd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het in dit geval toepasselijke uitlegcriterium door de tekst (en context) van de samenlevingsovereenkomst ten onrechte niet tot uitgangspunt te hebben genomen bij de uitleg van de bedoeling van partijen. Volgens het subonderdeel zijn de bijzondere kenmerken die de overeenkomst heeft, de vormvereisten waaraan de overeenkomst is gebonden en het gegeven dat de overeenkomst in een authentieke akte is neergelegd, omstandigheden die relevant zijn voor de uitlegmaatstaf. Aangezien de samenlevingsovereenkomst is neergelegd in een notariële akte, kan volgens
subonderdeel 2.4.3in verband met een daarin opgenomen uit te leggen rechtshandeling, wat betreft de in aanmerking te nemen omstandigheden, alleen worden gelet op de akte zelf. Het hof heeft dit volgens het subonderdeel miskend. Aan de verklaring van oud-notaris [betrokkene 3] komt volgens
subonderdeel 2.4.3geen betekenis toe omdat de tekst van artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst alsmede de context daarvan en de verdere opbouw van het samenlevingsovereenkomst geen andere uitleg toelaten dan dat de verplichting uit artikel 5 géén betrekking heeft op de situatie na overlijden. In
subonderdeel 2.4.4wordt naar voren gebracht dat als er onder het oude recht geen sprake zou zijn van een schenking bij dode die nietig is, maar ‘slechts’ van een schenking waarvoor als vormvereiste wel de notariële akte geldt, er dan aan dit vormvereiste voldaan is. Het subonderdeel vervolgt dat het vormvereiste maakt, evenals bij huwelijkse voorwaarden (onder verwijzing naar Hoge Raad 18 juni 2004,
NJ2004/399 [31] ), dat de ruimte voor uitleg contra tekst (en context) daardoor beperkt is, hetgeen het hof heeft miskend.
subonderdeel 2.4.5wordt betoogd dat de afspraak in de door [verweerster] bepleite uitleg (te weten dat de verplichting van [erflater] na zijn overlijden is blijven bestaan) gelijkenissen met een uiterste wilsbeschikking in de vorm van een legaat vertoont en er dus reden bestaat om bij de uitleg van deze verplichting aan te sluiten bij de (beperktere) uitlegregels voor testamenten. Net als een testateur, kan ook hier een van de partijen niet meer verklaren over zijn bedoeling, aldus het subonderdeel. In het subonderdeel wordt dan ook bepleit dat bij de uitleg wel kan worden gelet op de verhoudingen die partijen kennelijk wilden regelen (waarvoor tekst en context van groot gewicht zijn) en op de omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand is gekomen. Op daden of verklaringen van [erflater] die niet in de samenlevingsovereenkomst tot uitdrukking komen, kan slechts worden gelet voor zover de daarin opgenomen regeling anders geen duidelijke zin zou hebben. Aangezien artikel 5 volgens Pro de objectieve uitleg daarvan (tekst en context) volgens het subonderdeel wel zin heeft, namelijk een onderhoudsverplichting die eindigt bij het overlijden van [erflater] , had het hof dus ook om die reden aan de verklaring van oud-notaris [betrokkene 3] over de daden of verklaringen die niet in de samenlevingsovereenkomst tot uitdrukking zijn gekomen, geen betekenis mogen toekennen bij de uitleg van artikel 5. Ook als in dit geval geen bijzondere uitlegmaatstaf zou gelden en de uitleg aan de hand van de (eventueel geobjectiveerde) Haviltex-maatstaf zou dienen te geschieden, had het hof zich volgens
subonderdeel 2.4.6rekenschap moeten geven van het bijzonder karakter van de rechtshandeling (de gelijkenis met een legaat) en had het hof gelet op die omstandigheid moeten kiezen voor een objectieve uitlegmethode waardoor volgens dit subonderdeel aan de verklaring van oud-notaris [betrokkene 3] wederom geen (doorslaggevende) betekenis had mogen worden toegekend door het hof.
Subonderdeel 2.4.7ziet op de wilsvertrouwensleer en klaagt dat het hof bij de uitleg aan het element van het vertrouwen over en weer geheel voorbij lijkt te hebben gezien en in het geheel niet toetst of en zo ja, waarom [verweerster] op een bepaalde uitleg van artikel 5 heeft Pro mogen vertrouwen en evenmin op grond waarvan [erflater] dat dan redelijkerwijs had moeten verwachten. De uitlating van oud-notaris [betrokkene 3] is volgens het subonderdeel op geen enkele wijze gerelateerd aan de verklaringen van partijen over hoe zij de bepaling (over en weer) begrepen hebben en redelijkerwijs hebben mogen begrijpen.
subonderdeel 2.4.8wordt geconcludeerd dat het oordeel van het hof (welk uitlegcriterium ook van toepassing is) in ieder geval onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd aangezien het hof de tekst/context niet (voldoende) kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken en evenmin ‘het vertrouwen over en weer’.
subonderdelen 2.4 tot en met 2.4.8niet slagen.
subonderdeel 2.5is het oordeel van het hof in dat verband onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Subonderdeel 2.7richt zich tegen het verwerpen door het hof van de stelling van [eisers] inhoudende dat uit het op 30 november 1999 door [erflater] gemaakte testament (met een legaat ten behoeve van [verweerster] met vrijwel dezelfde tekst als artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst) blijkt dat artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst alleen betrekking heeft op de periode tot aan het overlijden van [erflater] omdat de periode na diens overlijden door het legaat in het testament was afgedekt. Het hof heeft in rov. 7.3 van het eindarrest overwogen dat dit betoog [eisers] niet kan baten aangezien met evenveel recht gezegd kan worden dat met het legaat in het testament de tussen partijen overeengekomen verplichting van [erflater] door hem in zijn testament wordt bevestigd. Subonderdeel 2.7 klaagt dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niet alleen omdat in het legaat expliciet de beperking is opgenomen dat de samenwoning nog bestaat [51] , maar ook omdat van een 'bevestiging' geen sprake kan zijn, deze althans zinloos zou zijn, omdat een testament kan worden herroepen en dus niets zou toevoegen aan artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst indien die bepaling werkelijk, zoals door [verweerster] gesteld en door [erflater] bestreden, zou inhouden dat de verplichting tot het doen van de uitkeringen voortduurt na het overlijden van [erflater] .
subonderdelen 2.5 tot en met 2.7kunnen niet slagen. Uit artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt dat de verplichting voor [erflater] uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst zou ontstaan ‘bij beëindiging van de samenleving, anders dan door overlijden van een der partijen’. Aangezien de relatie tussen partijen niet eindigde door het overlijden van [erflater] maar daarvoor reeds op andere wijze, was [erflater] vanaf dat moment verplicht uitkeringen te doen uit hoofde van artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Dit heeft het hof in rov. 7.2 van zijn eindarrest terecht tot uitgangspunt genomen en is – anders dan subonderdeel 2.6 betoogt – niet onbegrijpelijk. [erflater] is hier kennelijk ook vanuit gegaan want hij heeft vanaf het moment dat partijen in januari 2006 hun samenwoning hebben beëindigd tot aan zijn overlijden op 29 oktober 2011 overeenkomstig artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst maandelijks aan [verweerster] een bedrag betaald gelijk aan het bedrag dat zij zou hebben ontvangen uit de Algemene Nabestaandenwet. [52] Of vervolgens met het overlijden van [erflater] ook de verplichting is geëindigd om uitkeringen te doen dan wel daarna is blijven bestaan, is een andere vraag. Het hof heeft voor de beantwoording van deze vraag (zoals in het tussenarrest van 2 mei 2017 is geoordeeld) de bedoeling van partijen bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst beslissend geacht en daarop ziet ook de bewijslevering. [53] Zoals reeds uit de bespreking van de vorige subonderdelen van dit onderdeel volgt, is dat niet onbegrijpelijk. In subonderdeel 2.6 wordt vervolgens betoogd dat in de door het hof voorgestane uitleg in het geval de samenwoning nog wél bestond ten tijde van het overlijden van [erflater] , [verweerster] geen aanspraak zou kunnen maken op een uitkering uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst en uitsluitend het legaat in het testament zou gelden (met vrijwel dezelfde tekst als artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst), zodat [verweerster] in deze uitleg een minder sterke positie zou hebben (want uitsluitend een eenzijdig herroepelijk legaat in een testament) dan bij einde van de samenwoning anders dan door overlijden (een uitkering uit hoofde van een overeenkomst). Dit lijkt mij rechtens een terechte gevolgtrekking van de door het hof begrijpelijk voorgestane uitleg van artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst en van het legaat zoals opgenomen in het overgelegde testament uit 1999. Deze gevolgtrekking vloeit voort uit het verschil tussen een regeling opgenomen in een overeenkomst en een regeling opgenomen in een eenzijdig herroepelijke uiterste wilsbeschikking. Dat [verweerster] en [erflater] ook voor de situatie dat de relatie door overlijden zou eindigen, een regeling in de samenlevingsovereenkomst hadden kunnen treffen (binnen de grenzen van het erfrecht, zie thans art. 4:4 BW Pro) doet geen afbreuk aan de door het hof terecht voorgestane uitleg waarin een regeling is getroffen in de samenlevingsovereenkomst en een vergelijkbare regeling voor een andere situatie in het testament van [erflater] .
alternatievesituatie dat de relatie zou eindigen door het overlijden van [erflater] . Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk.
tweede onderdeelgeen doel treft.
subonderdeel 3.2.1in samenhang gelezen te worden met de klachten uit middelonderdelen I en II. Samengevat wordt in dit onderdeel (subsidiair) geklaagd dat het hof tegen de achtergrond van de tekst/context van artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst op grond van de enkele schriftelijke (op verzoek van [verweerster] ) geschreven verklaring van oud-notaris [betrokkene 3] [56] , ook gelet op de inhoud van die verklaring, niet tot het oordeel heeft kunnen komen, dat [verweerster] door overlegging van die verklaring voorshands in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. De schriftelijke verklaring van oud-notaris [betrokkene 3] is volgens
subonderdeel 3.2.2een blote, zeer beknopte en niet onderbouwde stelling. De notaris heeft volgens het subonderdeel ook niet verklaard over hetgeen hij in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en de strekking van artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst, zodat de regel uit de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2007,
NJ2008/187 [57] dat bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf mede gewicht toekomt ‘aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen’ van de door hem verleden akte in dit geval niet van toepassing is. Ook die regel vindt volgens het subonderdeel immers zijn grond in de wilsvertrouwensleer, waaraan het hof kennelijk heeft voorbijgezien, hetgeen volgens subonderdeel 3.2.2 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval is volgens
subonderdeel 3.2.3, zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het hof aan de schriftelijke verklaring van de notaris zo veel gewicht heeft toegekend, dat het tot een voorshands bewijsoordeel ten gunste van [verweerster] is gekomen. Het voorshandse oordeel van het hof kan volgens
subonderdeel 3.2.4dan ook niet in stand blijven.
onderdeel Bwordt door [eisers] opgekomen tegen het oordeel van het hof (over de door oud-notaris [betrokkene 3] afgelegde verklaringen [58] ) in rov. 7.8 [59] van het eindarrest. [60] Het hof verwerpt daarin het betoog van [eisers] dat oud-notaris [betrokkene 3] als getuige zijn eerdere schriftelijke verklaring heeft ontkracht, aangezien hij niet ingaat op de bedoeling van partijen. Volgens
subonderdeel 3.2.5geeft het oordeel van het hof in rov. 7.8 blijk van een miskenning van de bewijslastverdeling, is het innerlijk tegenstrijdig en voorts op meerdere onderdelen onnavolgbaar, hetgeen wordt uitgewerkt in de subonderdelen 3.2.6 tot en met 3.2.9, welke subonderdelen ik hierna samengevat weergeef.
subonderdeel 3.2.5), ontviel volgens
subonderdeel 3.2.6aan het voorshandse bewijsoordeel iedere grond, zodat het hof gehouden was om opnieuw – vanuit het startpunt dat op [verweerster] de bewijslast rust – te beoordelen of [verweerster] in dat bewijs is geslaagd. Door niettegenstaande de wending in de verklaring van de notaris het voorshandse oordeel te handhaven en daarmee ook de verplichting voor de erven om tegenbewijs te leveren, heeft het hof volgens het subonderdeel de bewijslastverdeling miskend en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast wordt in subonderdeel 3.2.6 geklaagd dat het hof – voor zover in rov. 4.14 en 4.15 [61] van het tussenarrest (over de gevolgen van de bewijslevering) een eindbeslissing moet worden gelezen – daarvan had behoren terug te komen op grond van de door het getuigenverhoor van oud-notaris [betrokkene 3] aan het licht gekomen onjuiste lezing van diens eerdere schriftelijke verklaring. Volgens het subonderdeel is dit bij uitstek een situatie die een uitzondering op de leer van de bindende eindbeslissing rechtvaardigt. [62] Indien het hof heeft geoordeeld dat het gebonden was aan zijn voorshandse oordeel als eindbeslissing, geeft dat oordeel dus volgens subonderdeel 3.2.6 eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof het vorenstaande niet heeft miskend en dus op basis van (mede) de gewijzigde verklaring van de oud-notaris tot het oordeel is gekomen dat [verweerster] is geslaagd in het op haar rustende bewijs, is dat oordeel volgens
subonderdeel 3.2.7onbegrijpelijk. Voorts is de passage in rov. 7.8 van het eindarrest van het hof over de getuigenverklaring van oud-notaris [betrokkene 3] (luidende:
‘In ieder geval is uit diens getuigenverklaring op geen enkele wijze af te leiden dat partijen destijds enige andere bedoeling hebben gehad dan dat de verplichting tot uitkering zou voortduren na het overlijden van [erflater] .’)volgens
subonderdeel 3.2.8rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk.
Subonderdeel 3.2.9stelt namelijk onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 2 mei 2003,
NJ2003/468 [63] en van 16 maart 2007,
NJ2008/219 [64] , dat het leveren van tegenbewijs niet gelijk is te stellen aan het leveren van het bewijs van het tegendeel, voldoende is het door de wederpartij geleverde bewijs te ontzenuwen. Volgens het subonderdeel is dat precies wat [eisers] door het doen horen van oud-notaris [betrokkene 3] hebben gedaan. Het hof lijkt dit volgens subonderdeel 3.2.9 te hebben miskend (hetgeen volgens het subonderdeel rechtens onjuist is), danwel zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk te hebben gemotiveerd.
De getuige heeft de juistheid van zijn brief bevestigd en de betekenis van de zinsnede daarin over de bedoeling van partijen (“De bedoeling van partijen is geweest dat deze uitkering niet eindigt bij overlijden van [erflater] ”) in die zin toegelicht dat hij beoogd heeft daarmee artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst uit te leggen. Daarmee heeft de getuige naar het oordeel van het hof niets teruggenomen van de kern van zijn schriftelijke verklaring.(…)’ Voor zover het onderdeel bedoelt te klagen over het oordeel van het hof dat [eisers] er niet in geslaagd zijn om het gevraagde tegenbewijs te leveren, wordt miskend dat de waardering van het bewijs is overgelaten aan de feitenrechter.
NJ2000/357 [67] ). De latere verklaring van de oud-notaris als getuige in de enquête-procedure is vervolgens van belang voor de beantwoording van de vraag of het gevraagde tegenbewijs is geleverd maar kan niet met terugwerkende kracht afbreuk doen aan het door het hof geformuleerde bewijsvermoeden op basis waarvan de bindende eindbeslissingen zijn genomen. Een uitzondering op de leer van de bindende eindbeslissing zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 [68] is hier niet aan de orde omdat de eindbeslissing van het hof niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust.
derde onderdeelgeen doel treft.
subonderdeel 4.2.2om die reden ook aan de verklaring van de getuige [betrokkene 4] geen relevantie worden toegekend. Waar het hof daar kennelijk anders over heeft geoordeeld, is dat oordeel volgens het subonderdeel rechtens onjuist. Subsidiair wordt door [eisers] nog naar voren gebracht dat uit de getuigenverklaring van [betrokkene 4] op geen enkele wijze blijkt dat en waarom partijen op een bepaalde uitleg van artikel 5 hebben Pro vertrouwd en al zeker niet dat [erflater] op een bepaalde uitleg van dat artikel heeft vertrouwd, of in redelijkheid ervan uit moest gaan dat [verweerster] die betekenis (doorwerking na overlijden) aan artikel 5 heeft Pro toegekend. Bij de bespreking waarover de getuige rept, was [erflater] niet eens aanwezig, aldus
subonderdeel 4.2.3.
subonderdeel 4.2.4ingegaan op de familierelatie van getuige [betrokkene 4] met partij [verweerster] en de geloofwaardigheid van haar verklaring. Het subonderdeel stelt dat, gelet op de aard van de onderhavige overeenkomst/gelijkenis met een testamentair legaat, het vormvoorschrift van een notariële akte (als de overeenkomst als schenking moet worden aangemerkt,) het feit dat de samenlevingsovereenkomst is neergelegd in een notariële akte, alsook het grote tijdsverloop tussen de gebeurtenis waarover de getuige [betrokkene 4] heeft verklaard en het moment waarop de getuigenverklaring werd afgelegd, een kritische beoordeling op zijn plaats was geweest. Het hof had volgens het subonderdeel (nader) dienen te motiveren waarom het aan de verklaring van getuige [betrokkene 4] over de strekking van artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst, die haaks staat op de tekst van de bepaling en de context daarvan, niettemin (doorslaggevend) gewicht heeft toegekend. Tevens had het hof volgens het subonderdeel dienen te responderen op de essentiële stelling van [eisers] dat het zeer waarschijnlijk is dat de uitlating van de notaris dat [erflater] voor [verweerster] alles heel goed geregeld had op de combinatie van de samenlevingsovereenkomst én het testament zag. Nu het hof dat heeft nagelaten is zijn oordeel ook om die reden onvoldoende gemotiveerd volgens het subonderdeel.
vierde onderdeelgeen doel treft.
subonderdeel 4.5gesteld dat ook voor de verklaring van [verweerster] zelf geldt dat aan haar verklaring over de bedoeling van [erflater] bij de uitleg van de akte geen gewicht toekomt. Verder wordt gesteld dat indien de getuigenverklaringen van oud-notaris [betrokkene 3] en [betrokkene 4] niet als bewijs kunnen dienen, de enkele partijgetuigenverklaring van [verweerster] eveneens onvoldoende is (
subonderdeel 4.5). Afsluitend wordt in
subonderdeel 4.6gesteld dat het hof tot het oordeel had moeten komen dat [verweerster] niet geslaagd is de op haar rustende bewijslast te leveren en/of dat [eisers] het verlangde tegenbewijs wel hebben geleverd en het hof dus de vordering van [verweerster] had dienen af te wijzen.