Conclusie
een miljoen vierenveertigduizend zevenhonderd negenentwintig euro (€ 1.044.729,00);
driehonderd achtenveertigduizend eenhonderd achtennegentig euro (€ 348.198,00);
een miljoen driehonderd tweeënnegentigduizend negenhonderd zevenentwintig euro (€ 1.392.927,00):
de comparanten sub 1 en 2[de erven, toev. A-G]
en de volmachtgever van de comparante sub 4[ [eiser 1] , toev. A-G]
hierna tezamen te noemen: "de schuldenaar", bij wege van schuldvernieuwing zijn overeengekomen dat de schuldenaar aan schuldeiser per één januari tweeduizend elf uit hoofde van geldlening schuldig is, en wel de comparanten sub 1 en 2 [de erven], hoofdelijk, voor de ene helft en de volmachtgever van de comparante sub 4 [ [eiser 1] , toev. A-G] voor de andere helft, een bedrag groot
een miljoen driehonderd tweeënnegentigduizend negenhonderd zevenentwintig euro (€ 1.392.927,00).
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
grief 1) en (ii) de overeenkomst tussen partijen, waarvan de akte een vastlegging is, vernietigbaar en vernietigd is vanwege wilsgebreken (
grief 3).
subonderdeel 1.2in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat de akte het bestaan van de oude vorderingsrechten enkel tot feitelijk uitgangspunt neemt en zonder nadere, ontbrekende, motivering niet valt in te zien dat de akte (zich aldus laat uitleggen dat zij) ook bestemd is om het bestaan van oude vorderingsrechten te bewijzen. [eisers] wijzen hierbij op het expliciet in de akte gemaakte onderscheid tussen de in de considerans genoemde oude vorderingsrechten (onder het kopje “
In aanmerking nemende dat”, onder 1-4), die het hof zelf in rov. 8 ook als considerans betitelt, en de daaropvolgende afspraken over de nieuwe vorderingsrechten alsmede de schuldvernieuwing (onder het kopje “
verklaren, handelend als gemeld, dat”, onder a.-c.), en de door [eisers] in dat verband betrokken stellingen [25] .
dezevoorwaarden gekozen hebben en hoe deze voorwaarden uitgelegd moeten worden.”
een miljoen vierenveertigduizend zevenhonderd negenentwintig euro (€ 1.044.729,00);
driehonderd achtenveertigduizend eenhonderd achtennegentig euro (€ 348.198,00);(…)”
subonderdeel 1.3geldt het voorgaande temeer/in ieder geval nu
als zeker aan de vaststellingsovereenkomst ten grondslag is gelegd”, wat eveneens impliceert dat de akte er niet toe strekt het bestaan van die oude vorderingsrechten te bewijzen, maar dat enkel tot feitelijk uitgangspunt neemt; en
voornoemde schuldverhoudingen opnieuw en voor alle partijen eenduidig [...] vast te leggen” (considerans, onder 14). Dit tegen de achtergrond van de door [betrokkene 1] aan [verweerder] verleende zekerheden (considerans, onder 5) en de erfopvolging na het overlijden van [betrokkene 1] (considerans, onder 6 tot en met 14). Bij de akte is om baat afstand gedaan van vorderingsrechten en zijn bij wege van schuldvernieuwing nieuwe en andere schuldverhoudingen tot stand gebracht. Met een dergelijke (in dit geval notarieel vastgelegde) overeenkomst wordt (onder meer) beoogd om onzekerheid of geschil over wat tussen partijen rechtens voortaan geldt te voorkomen. Dat partijen in dit geval een ander oogmerk hadden, is in dit kort geding niet aannemelijk geworden.
opnieuw en voor alle partijen eenduidig" wensen vast te leggen. Het hof heeft daarom volgens subonderdeel 2.2 in ieder geval aan die zinsnede een onbegrijpelijke uitleg gegeven voor zover het daarin leest dat partijen een bestaande of toekomstige onzekerheid hebben willen beëindigen.
opnieuw en voor alle partijen eenduidig” vast te leggen,
kennelijk alle partijenten aanzien van deze vorderingen gedwaald hebben. Dit is een beroep op wederzijdse dwaling (art. 6:228 lid 1 aanhef Pro en onder c BW) en dat is onverenigbaar met de gestelde schending van de mededelingsplicht van [verweerder] . Reeds hierom is het beroep op wederzijdse dwaling onvoldoende onderbouwd. Het beroep op wederzijdse dwaling faalt evenzeer, nu [verweerder] heeft gesteld dat hij niet heeft gedwaald en [eisers] dit onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken.
van eigen kennis over de beweerde schulden” maar op “
de mededelingen die [verweerder] en [eiser 1] daarover gedaan hebben”
.Daaraan voegen zij bij akte van 21 maart 2017 sub 10 toe dat [verweerder] bij het opstellen van de akte informatie heeft achtergehouden en welbewust onjuistheden in de akte heeft doen opnemen. Het hof begrijpt de stellingen van [eisers] aldus dat [verweerder] in verband met hetgeen hij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, [eisers] had behoren in te lichten (art. 6:228 lid 1 aanhef Pro en onder b BW).”