Conclusie
1.Feiten en procesverloop
NJ2017/62,
UWV,r.o. 3.4.4.). B&W zouden dan, conform de vaststellingen van de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 1 oktober 2013, onder ogen hebben gezien dat er onvoldoende bewijs was voor de aanname dat [de ex-echtgenoot] in de bewuste periode zijn hoofdverblijf had bij [de schuldenares]. Zij zouden dan geen intrekkings- en terugvorderingsbesluit hebben genomen. In dat geval zou [de schuldenares] geen nieuwe bovenmatige schuld hebben laten ontstaan die aanleiding zou kunnen vormen voor tussentijdse beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtmatigintrekkings- en terugvorderingsbesluit had kunnen nemen: de gemeente heeft zich beperkt tot het verweer dat het (voor schadevergoeding vereiste)
condicio sine qua non-verband ontbreekt tussen het onrechtmatig bevonden besluit en de gestelde mogelijke schade als gevolg van beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling zonder ‘schone lei’. Volgens het middelonderdeel had het hof een vergelijking moeten maken tussen enerzijds de situatie die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en anderzijds de situatie waarin een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand achterwege zou zijn gebleven.
om een andere redendoor de insolventierechter zou zijn beëindigd zonder ‘schone lei’, namelijk op de grond dat de schuldenares haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren was nagekomen (art. 350, lid 3 onder c, Fw). Die vraag heeft het hof onderzocht, maar ontkennend beantwoord. Volgens het hof zou ook op grond van art. 350, lid 3 onder c, Fw de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet zijn beëindigd zonder de ‘schone lei’. Zo doende, heeft het hof in ieder geval het
condicio sine qua non-verband onderzocht tussen en de gestelde onrechtmatige overheidsdaad en de gestelde (mogelijkheid van) schade. De klacht van onderdeel 1.1 faalt daarom.
condicio sine qua non-vraag (is/was het feit een noodzakelijke voorwaarde voor het intreden van het gevolg?) is slechts een eerste stap, een ‘tussenschakel’, om het oorzakelijk verband te bepalen. In sommige gevallen schiet deze test tekort en moet positief causaal verband worden aangenomen, ofschoon de schade ook zonder de betrokken gebeurtenis zou zijn ingetreden. De toelichting-Meijers geeft het voorbeeld dat iemand bij een onrechtmatige executie is gedood door een aantal schoten, afgevuurd door verschillende personen, terwijl elk van die schoten al voldoende was om de dood te doen intreden [11] . De omstandigheid dat enige tijd na het feit dat een onrechtmatige daad oplevert zich een andere gebeurtenis voordoet die dezelfde schade zou hebben kunnen veroorzaken, wordt in het algemeen beschouwd als onvoldoende reden om het oorzakelijk verband doorbroken te achten. Dit omvat ook gevallen van
hypothetische causaliteit(veronderstelde veroorzaking). Een voorbeeld hiervan is een auto die als gevolg van een aanrijding ‘total loss’ wordt beschouwd maar die, naar de vaststelling van de rechter, ook zonder deze aanrijding later zou zijn vernietigd door een bomaanslag [12] . Een strikte toepassing van de
condicio sine qua non-toets zou logisch tot het resultaat leiden dat de eerste oorzaak (de aanrijding) niet kan worden beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde voor het intreden van de schade: indien de eerste oorzaak (in dit voorbeeld: de aanrijding) wordt weggedacht, zou immers dezelfde schade zijn ingetreden door de (veronderstelde) andere oorzaak (in dit voorbeeld: de bomaanslag). Ook in dergelijke gevallen pleegt te aangenomen dat het oorzakelijk verband tussen het eerste schade toebrengende feit en de schade niet wordt verbroken door de latere (hypothetische) oorzaak [13] .
eigenbeoordeling door de insolventierechter.
dictumvan de uitspraak van de CRvB van 1 oktober 2013, maar) niet gebonden is aan de daaraan ten grondslag liggende overweging van de CRvB dat niet is komen vaststaan dat de ex-echtgenoot in de bewuste periode zijn hoofdverblijf had in de woning van de schuldenares. De beslissing dat de burgerlijke rechter daarvan had uit te gaan, is daarom rechtens onjuist. Daarbij komt, dat de gemeente ook geen partij was in de procedure bij de insolventierechter. De insolventierechter was evenmin aan dat oordeel van de CRvB gebonden.
nietde geldigheid van dat besluit betreft, gebonden zou zijn aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit [17] . Dit betekent voor deze zaak dat de burgerlijke rechter (zowel de insolventierechter als de rechter in deze aansprakelijkheidsprocedure) weliswaar gebonden is aan de vernietiging van de beslissing op bezwaar en aan de herroeping door de CRvB van het besluit van het gemeentebestuur tot intrekking en terugvordering van verleende bijstand, maar niet gebonden is aan de door de CRvB hieraan ten grondslag gelegde vaststelling dat − in die bestuursrechtelijke procedure – niet aannemelijk was gemaakt dat de ex-echtgenoot in het relevante tijdvak zijn hoofdverblijfplaats had op het adres van de schuldenares [18] . In zoverre berust het oordeel dat de burgerlijke rechter daarvan ‘heeft uit te gaan’ op een onjuiste rechtsopvatting. Ik heb mij nog afgevraagd of het hof zich wellicht onzorgvuldig heeft uitgedrukt en slechts bedoelt dat het de overwegingen in de uitspraak van de CRvB van 1 oktober 2013 “overneemt en tot de zijne maakt”: in die interpretatie zou sprake zijn van een eigen beoordeling door het hof met van de CRvB geleende argumenten. Maar de uitdrukkelijke overweging dat de rechter in deze aansprakelijkheidszaak en ook de rechtbank in de insolventiezaak (bij de berekening van het vrij te laten bedrag of het bepalen van de beslagvrije voet)
hebben uit te gaan van het oordeel van de Centrale Raad van Beroepover het wel of niet samenwonen van de schuldenares en haar ex-echtgenoot, laat voor die interpretatie geen ruimte. De slotsom is dat het hof hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Onderdeel 1.4 is daarom gegrond.
condicio sine qua non-verband) tussen het onrechtmatige besluit van het gemeentebestuur en de gestelde schade niet wordt doorbroken door het enkele feit dat zich naast dat besluit nog een andere gebeurtenis heeft voorgedaan (het beweerde tekortschieten door de schuldenares in haar verplichting tot het informeren van de bewindvoerder), die evengoed zou hebben kunnen leiden tot een beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Maar dat staat er niet.
op dit punt(deze hand- en spandiensten) evenmin zou hebben geleid tot een tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling zonder ‘schone lei’. Daarom faalt deze motiveringsklacht.