Conclusie
eerste middelkomt op tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
NJ2016/240, m.nt. T. Kooijmans). De Hoge Raad casseerde toen, omdat het hof ontoereikend gemotiveerd had gereageerd op het namens de verdediging gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde witwassen. Aan dit verweer was, gezien het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 september 2014, door de verdediging het volgende ten grondslag gelegd. De Hoge Raad heeft beslist dat ‘zwart geld’, te weten inkomen of vermogen dat ten onrechte niet aan de belastingdienst wordt opgegeven, als voorwerp van witwassen kan worden aangemerkt. Daarnaast wordt in art. 69 Algemene Pro Wet op de Rijksbelastingen (AWR) als strafbaar feit aangemerkt het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte, maar op grond van het derde lid van dit artikel vervalt het recht op strafvervolging ingeval alsnog een juiste aangifte wordt gedaan voordat de belastingdienst van de eerdere (foutieve) aangifte op de hoogte is geraakt. Dit betreft de zogenoemde ‘inkeerregeling’. De verdediging had betoogd dat indien een gerechtvaardigd beroep op die regeling kan worden gedaan, strafvervolging inzake witwassen niet meer mogelijk is. Uit het procesdossier bleek volgens de verdediging dat de aangifte van de voornoemde gelden op initiatief van de verdachte en zijn moeder met de belastingdienst conform de zojuist genoemde ‘inkeerregeling’ is afgewikkeld. Een strafvervolging inzake witwassen was derhalve niet meer mogelijk. Hieraan deed volgens de verdediging niet af dat de moeder van de verdachte de belastingplichtige c.q. schuldige zou zijn. Uit de overlegde en aan het procesdossier gevoegde correspondentie met de belastingdienst bleek immers dat de verdachte er (namens zijn moeder) zorg voor heeft gedragen dat er alsnog belasting is betaald. Hem komt dan ook een (afgeleid) beroep op de ‘inkeerregeling’ toe, aldus de verdediging. In reactie op dit verweer had het hof (slechts) overwogen dat
“de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen niet zelf belastingplichtig [is], zodat deze [inkeer]regeling op hem niet van toepassing is (…)”. [1] In (de eerste ronde) cassatie is daarop - kort gezegd – geklaagd dat het hof zodoende een te beperkte uitleg heeft gegeven van het begrip ‘belastingplichtige’. De Hoge Raad overwoog daarop het volgende:
[betrokkene 1] heeft op enig moment voordat hij formeel aangifte deed, nadat hij en (de) andere erven van [slachtoffer] (de tante van verdachte) op de hoogte raakten van de schenking door [slachtoffer] aan [betrokkene 2] (de moeder van verdachte), de belastingdienst op de hoogte gebracht van deze schenking;
de belastingdienst heeft hierop contact gezocht met [betrokkene 2] ;
[betrokkene 2] heeft hierna tegenover de belastingdienst openheid van zaken gegeven over de door haar van haar zus [slachtoffer] ontvangen schenking en de omvang daarvan;
ook verdachte heeft pas naar aanleiding van het handelen van de belastingdienst en dus nadien openheid van zaken gegeven.
voordatde belastingdienst daarvan op de hoogte was geraakt en dat haar daarom een beroep op de ‘inkeerregeling’ toekomt. ’s Hofs motivering dat daarom de verdachte als afgeleid spijtoptant evenmin een beroep toekomt op de werking van de inkeerregeling is in zoverre onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel. Daarbij blijkt uit die stukken ook dat de verdachte heeft bijgedragen aan die inkeer van zijn moeder, zodat van dusdanig bijzondere omstandigheden sprake is dat ook hem, hoewel hij niet de belastingschuldige is, een beroep op de inkeerregeling toekomt. Door de inkeer kan volgens de steller van het middel niet meer worden gesteld dat de verdachte hetgeen heeft gedaan, waarvoor hij is veroordeeld. Tot slot merkt de steller van het middel op dat de belastingdienst de ‘inkeer’ reeds had getoetst en akkoord had bevonden, waardoor het hof
‘buiten [zijn] boekje’is gegaan door nogmaals te toetsen of de moeder van de verdachte een beroep daarop toekomt.
NJ2009/94 m.nt. M.J. Borgers, - voor zover hier van belang - bepaald dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken (met andere woorden: ‘zwart geld’), aangemerkt kunnen worden als van misdrijf afkomstig in de zin van artikel 420bis Sr. Ik herhaal voorts het relevante kader dat in het onderhavige geval door de Hoge Raad in zijn eerder genoemde arrest van 5 april 2016 is geschetst:
hijhiervan (en dus al eerder)
“melding heeft gemaakt bij de belastingdienst”. [6] Na deze melding door [betrokkene 1] heeft de belastingdienst contact gezocht met de moeder van de verdachte die daarop openheid van zaken heeft gegeven over de voornoemde schenking en de omvang daarvan. Voorts heeft ook de verdachte pas ná het handelen van de belastingdienst openheid van zaken gegeven over de schenking. Het hof verwijst hiertoe naar de verklaringen van de verdachte bij de politie en ter terechtzitting bij het hof. Bij de politie verklaart hij onder meer dat hij
“de belastingdienst niet in kennis [heeft] gesteld”van de schenking en ter terechtzitting bij het hof dat hij
“door de belastingdienst [werd] gebeld dat zij wisten dat het geld er was, en toen heb ik gewoon openheid van zaken gegeven”. [7] Op grond van deze vaststellingen oordeelt het hof dat de moeder van de verdachte geen beroep toekomt op de inkeerregeling, aangezien de belastingdienst al door [betrokkene 1] op de hoogte was gebracht van de schenking. Om een beroep te kunnen doen op die regeling moet immers vast komen te staan dat de belastingschuldige inkeer doet vóórdat deze weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de belastingdienst op de hoogte is of zal worden van een onjuiste of onvolledige aangifte en dat is thans niet het geval, aldus het hof. Zodoende heeft het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat de moeder van de verdachte geen beroep toekomt op de inkeerregeling.
nahet moment waarop de belastingdienst contact heeft opgenomen met de moeder van de verdachte en de verdachte zelf. Van een beroep op de inkeerregeling als bedoeld in artikel 69, derde lid, AWR kan op dat moment hoe dan ook geen sprake meer zijn. ’s Hofs vaststellingen hieromtrent betreffen voorts een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. [8]
‘buiten [zijn] boekje’zou zijn gegaan door nogmaals te toetsen of de moeder van de verdachte een beroep toekwam op de inkeerregeling, faalt de klacht nu het hof niet heeft vastgesteld dat de belastingdienst het beroep op de inkeerregeling reeds had getoetst en akkoord had bevonden, terwijl de steller van het middel onvoldoende precies aangeeft waaruit zou blijken dat dit als “een vaststaand feit” zou hebben te gelden.
geenberoep op die regeling toekomt. Op grond van de het door de Hoge Raad geschetste kader meen ik van niet. Die vraag kan evenwel in het midden blijven nu het hof hieromtrent vaststelt dat de verdachte
“heeft aangegeven dat hij de aangifte van de schenking tegenover de belastingdienst volledig aan zijn moeder heeft overgelaten”. Voorts verklaart hij dat
“hij dat probleem bij zijn moeder had neergelegd, dat zijn moeder dat verder zou regelen en dat zijn moeder het bij de belastingdienst heeft gemeld naar aanleiding van een telefoontje van de belastingdienst”. Voorts verklaart hij dat
“ze (de belastingdienst, D.P.) het ook al van mijn moeder [wisten] toen ze mij belden. Het kan zijn dat ze het al van [betrokkene 1] wisten”.Voorts stelt het hof vast dat de stelling dat hij een bevorderende rol heeft gehad bij de inkeer van zijn moeder ook voor het overige geen steun vindt in het dossier. In dat niet onbegrijpelijke en voldoende gemotiveerde oordeel ligt besloten dat van bijzondere omstandigheden waardoor de verdachte een afgeleid beroep zou kunnen doen op de inkeerregeling geen sprake is.
NJ2006, 612). Die beperking komt er volgens de steller van het middel kort gezegd op neer dat een erfgenaam die een erfenis aanvaardt en er daarna achter komt dat de erfenis uit enig misdrijf afkomstig is, niet wegens witwassen kan worden veroordeeld als het oogmerk ontbreekt de (verdere) feitelijke zeggenschap over dit uit misdrijf afkomstige voorwerp uit te oefenen. Als bewindvoerder zou de verdachte niets hebben af geweten van het geld in Luxemburg; hij werd daarmee geconfronteerd. Het hof zou ten onrechte niet hebben overwogen dat de genoemde beperking ook voor de verdachte geldt, aangezien hij heeft bevorderd dat zijn moeder het ‘zwarte geld’ aangaf bij de belastingdienst.
geen(afgeleid) beroep op de inkeerregeling toekwam. Voorts heeft de Hoge Raad in HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712 ten aanzien van de bedoelde beperking op de strafbaarstelling overwogen dat de tekst van art. 420bis Sr met zich mee brengt dat een erfgenaam die een erfenis aanvaardt die niet pluis is, vrijwel automatisch strafbaar wordt.
Diesituatie kan volgens de Hoge Raad onredelijk zijn. Immers, het Nederlandse strafrecht is een ‘daadstrafrecht’, de dader moet de mogelijkheid hebben gehad anders – niet strafbaar – te handelen. Het is hierom dat de Hoge Raad in het geval bij die erfgenaam het oogmerk ontbreekt om de feitelijke zeggenschap over dit uit misdrijf afkomstige goed uit te oefenen, de strafbaarstelling heeft beperkt. Het ontbreken van dat oogmerk zou bijvoorbeeld kunnen blijken uit het onverwijld melden van die goederen aan de politie of de officier van justitie, terwijl die goederen tevens ter beschikking van de Staat worden gesteld en gehouden. [9] Nog daargelaten de vraag of voornoemde beperking op de strafbaarstelling voor een erfgenaam onder omstandigheden ook voor een bewindvoerder kan gelden, heeft het hof in het onderhavige geval vastgesteld dat de verdachte op het moment dat hij de bewindvoering van zijn tante op zich nam, wist dat het geld op de Luxemburgse rekening ‘zwart geld’ betrof. Dat had zijn tante hem verteld. Desondanks heeft hij dat geld (contant) opgenomen en aan zijn moeder overhandigd. Ook heeft hij de belastingdienst niet van dit geld op de hoogte gebracht. [10] Daarmee heeft hij feitelijke zeggenschap over dat ‘zwarte geld’ uitgeoefend. Van een beperking op de strafbaarstelling voor de verdachte doordat hij niet het oogmerk had feitelijke zeggenschap over dat geld uit te oefenen is derhalve hoe dan ook geen sprake. Ook de tweede deelklacht faalt.
eigenmisdrijf, maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. [11] Het hof heeft immers overwogen dat
‘het zwarte geldnietafkomstig is van enig door verdachte gepleegd misdrijf’(onderstreping D.P.) aangezien de verdachte van zijn tante wist dat het ‘zwart geld’ betrof waardoor hij zich door het opnemen van dat geld en het overhandigen daarvan aan zijn moeder,
‘schuldig [heeft] gemaakt aan witwassen’. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het enkele voorhanden hebben van een – niet uit eigen misdrijf afkomstig – geldbedrag al voldoende is om dit als witwassen aan te merken. De Hoge Raad heeft bepaald dat in zo’n geval niet is vereist dat dit voorhanden hebben, gericht moet zijn op het uit het zicht houden van het voorwerp voor politie en justitie. [12] Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen dat aan de begrippen ‘voorhanden hebben’ en ‘overdragen’ feitelijke betekenis toekomt, [13] faalt ook de derde deelklacht.
tweede middelklaagt over de (motivering van) de bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde feit (valsheid in geschrifte).
‘maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging’en teruggewezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden. Daarop is de zaak door het hof Arnhem-Leeuwarden opnieuw behandeld op 7 juli 2017, waarbij het hof op 21 juli 2017 uitspraak heeft gedaan en arrest heeft gewezen.
NJ1996/478, heeft de strafkamer van de Hoge Raad dit nog eens in een arrest van 17 oktober 2017 herhaald. [16]
alleenten aanzien van dat feit teruggewezen en heeft het hof niet onbegrijpelijk alleen dat feit opnieuw behandeld. Ten overvloede merk ik op dat het hof in de onderhavige zaak m.i. niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte hoe dan ook geen beroep op die regeling toekwam.