Conclusie
1.Feiten en procesverloop
beschikkingsbevoegdwas, zodat hij ( [verweerder] ) de viool geldig heeft verkregen (rov. 4.6). Na uitleg van de consignatieovereenkomst heeft het hof dit verweer gegrond bevonden (rov. 4.14), zodat de vordering van [eiseres] tot revindicatie door de rechtbank terecht – zij het op andere gronden – bleek te zijn afgewezen. Hierdoor kon het hof in het midden laten of [eiseres] bevoegd was namens een gemeenschap van eigenaren een vordering in te stellen en liet het de grieven I-III buiten behandeling (rov. 4.15 en 5.1).
€ 3.900.000,-. Van dat bedrag is € […] ,- bestemd voor de viool. Voorts staat vast dat [verweerder] ten tijde van de transactie een erkende tegenvordering had op [verweerder] [10] , die tot ruim € […] ,- was opgelopen. [verweerder] heeft de koopprijs van de violen voldaan door betaling van € 1.000.000,- en door verrekening met voormelde schuld van [betrokkene 1] aan [verweerder] .
€ […] ,-. De viool is door ( [betrokkene 2] en) [eiseres] zelf te koop aangeboden voor tenminste $ […] ,- (tegen de koers van 26 maart 2010 is dat circa € 1.650.000,-). Dit betekent dat de overeengekomen prijs hoger ligt dan de door [eiseres] gevraagde minimum prijs voor de viool. Dat de overeengekomen prijs niet reëel zou zijn, althans een prijs zou zijn die bij [verweerder] aanleiding voor twijfel omtrent de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] terzake van de viool kan vormen, is in het licht van het voorgaande, onvoldoende feitelijk onderbouwd en niet komen vast te staan. Dit geldt te meer nu [eiseres] zelf heeft gesteld dat zij (en [betrokkene 2] ) in 2004 tussen de
$ 1.500.000,- en $ 1.750.000,- voor de viool heeft betaald. Voor zover [eiseres] verwijst naar het appraisal van 4 april 2010, waarin [betrokkene 1] zelf een waarde van € 4.000.000,- noemt, kan dit [eiseres] niet baten. Zelfs indien dit appraisal aanleiding zou hebben moeten geven voor twijfel, hetgeen [verweerder] betwist, dan geldt immers dat dit stuk eerst bekend werd na de peildatum van 26 maart 2010.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
subonderdeel 1.1als onjuist althans onvoldoende gemotiveerd aangemerkte overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 4.5.3 en 4.5.11:
subonderdelen 1.2 en 1.4-1.6en in voortbouwende klachten in de
subonderdelen 1.3 en 1.7-1.8,keert onderdeel 1 zich op de keper beschouwd tegen het oordeel dat [betrokkene 1] de viool
op 26 maart 2010krachtens een
geldige titelaan [verweerder] heeft
geleverden dat die datum derhalve als
peildatumvoor de beoordeling van de goede trouw van [verweerder] heeft te gelden.
rov. 3.3van zijn arrest van 31 maart 2015 reeds feitelijk vastgesteld dat (i) op 26 maart 2010 mondeling een koopovereenkomst is gesloten en (ii) de viool op 26 maart 2010 door [betrokkene 1] aan [verweerder] is overhandigd. De tegen vaststelling (i) gerichte cassatieklacht (onderdeel 1) is door uw Raad bij arrest van 23 december 2016 met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro verworpen (rov. 3.4). Vgl. ook de vaststelling door uw Raad dat in cassatie kan worden uitgegaan van het feit dat op 26 maart 2010 mondeling een koopovereenkomst is gesloten en de viool op die dag aan [verweerder] is overhandigd (rov. 3.1 aanhef en onder (iii)).
rov. 4.8voorop dat indien [betrokkene 1] beschikkingsbevoegd was op het moment van verkrijging door [verweerder] , sprake zou zijn van een geldige overdracht ex art. 3:84 lid 1 BW Pro. Daartoe overweegt het hof dat niet is betwist dat er sprake is van een geldige titel, waarbij in het midden kan blijven of de stichting of [verweerder] heeft gekocht. Verder ligt in genoemde vooropstelling noodzakelijkerwijs besloten dat naar het oordeel van het hof tevens sprake is geweest van een levering. Tegen de achtergrond van de (tevergeefs bestreden) vaststelling in rov. 3.3 gaat het dan kennelijk om het totstandkomen, volgens het hof, van een geldige titel en een levering op 26 maart 2010. Ook de tegen deze rov. 4.8 gerichte cassatieklachten (onderdeel 2.5) zijn door uw Raad met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro verworpen (rov. 3.4).
op 26 maart 2010krachtens een
geldige titelaan [verweerder] is
geleverd. In zijn thans bestreden arrest heeft het hof ’s-Hertogenbosch dat kennelijk ook onderkend en weergegeven in zijn rov. 4.5.3 (2e volzin en laatste volzin). De overwegingen met betrekking tot de – reeds vaststaande – levering kunnen daarbij aldus worden begrepen dat het hof slechts heeft onderzocht of het ging om de juiste, voor toepassing van art. 3:86 lid 1 BW Pro vereiste
wijzevan levering, namelijk door bezitsverschaffing (zie kopje (i): ‘overeenkomstig art. 90, 91 of 93’).
die is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst[verweerder] tot verkrijger te goeder trouw heeft gemaakt, aldus het middel.
in het midden (kan) blijven of de stichting of [verweerder] heeft gekocht”. De eventueel tegen dat oordeel gerichte klachten (onderdeel 2.5) zijn door uw Raad met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro verworpen (rov. 3.4). Daarmee stond in het geding na cassatie en verwijzing reeds vast dat ook in dit opzicht sprake was van een geldige titel op 26 maart 2010.
mondelinge koopovereenkomstals lasthebber in eigen naam voor rekening en risico van [verweerder] is opgetreden. Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat de mondelinge koopovereenkomst is gesloten tussen [betrokkene 1] en [verweerder] , en dat eerst bij de
vastleggingdaarvan in de vaststellingsovereenkomst de stichting is opgetreden als lasthebber in eigen naam voor rekening en risico van [verweerder] . [verweerder] was de (materiële) koper en daar is met de schriftelijke overeenkomst niets aan veranderd, aldus [verweerder] . [17]
subonderdelen 1.7-1.8bouwen voort op de voorgaande klachten en falen daarom eveneens.
subonderdeel 2.1heeft het hof
ten eerstemiskend (i) dat goede trouw in de zin van art. 3:86 lid 1 BW Pro in ieder geval ontbreekt indien de verkrijger daadwerkelijk twijfelde over de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben en (ii) dat het dus aan [verweerder] was om te stellen dat hij niet aan [betrokkene 1] beschikkingsbevoegdheid twijfelde.
§ 65-73 van de appelpleitnota van [eiseres] zien met name op de rol van de stichting en op de vraag of 26 maart 2010 wel als peildatum moet worden aangemerkt. Dat het hof daarin niet de stelling heeft gelezen dat [verweerder] op 26 maart 2010 daadwerkelijk twijfelde, is mijns inziens niet onbegrijpelijk. In MnV
§ 118 valt wel de stelling te lezen dat [verweerder] daadwerkelijk heeft getwijfeld aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] , maar ook deze is voornamelijk gebaseerd op het opmaken en de inhoud van de als ‘schijnconstructie’ betitelde (posterieure) vaststellingsovereenkomst. De (voor het eerst) in MnV § 153 sub a) en h) te bewijzen aangeboden stelling dat [verweerder] op 26 maart 2010 feitelijk twijfelde respectievelijk niet te goeder trouw was, was dan ook niet onderbouwd. Reeds daarom kon het hof aan dit bewijsaanbod voorbijgaan.
onderdelen 3-6richten zich met een reeks van klachten – met name motiveringsklachten – tegen het oordeel van het hof omtrent de goede trouw van [verweerder] in rov. 4.5.7-4.5.11. De klachten zijn deels algemeen van aard (onderdeel 3) en deels gericht tegen de oordelen onder de verschillende subkopjes van rov. 4.5.10 betreffende de consignatieovereenkomst (onderdeel 4), de transactie (onderdeel 5) en de certificaten (onderdeel 6).
onder a-e(betreffende de algemene reputatie van [betrokkene 1] ) voert het subonderdeel aan dat het hof deze niet (wegens onvoldoende betwisting) als ter zake doend kon aannemen in het licht van de stellingen van [eiseres] , weergegeven in rov. 4.5.9 onder a-j, waaruit zou blijken dat [betrokkene 1]
tegenover [verweerder]allerminst een onberispelijke reputatie genoot. Voor het vaststellen van goede trouw is niet de algemene reputatie naar de buitenwereld, maar de reputatie jegens [verweerder] (te weten die van ernstige wanbetaler) van belang, aldus het subonderdeel.
De transactie’) dat, mede in het licht van de achtergrond en gebruikelijke bedrijfsvoering van [betrokkene 1] , de omstandigheid dat [verweerder] [betrokkene 1] al twee jaar tevergeefs had aangemaand, niet tot bedenkingen omtrent diens beschikkingsbevoegdheid had moeten leiden. Mede in het licht van de vaststaande omstandigheid dat [verweerder] in het verleden vaker en probleemloos transacties met [betrokkene 1] had gesloten (rov. 4.5.7 sub d) is dit oordeel niet onbegrijpelijk.
onder g en ivoert het subonderdeel aan dat uit de door [verweerder] gestelde feiten niet blijkt dat hij
op de peildatumvan 26 maart 2010 (i) naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] heeft gevraagd en (ii) heeft onderzocht of de viool als vermist of gestolen bekend stond, al dan niet in het Art Loss Register. [verweerder] heeft zijn stellingen omtrent zijn onderzoek beperkt tot de periode voor en tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, hetgeen wordt geïllustreerd door het bewijsaanbod in CvA § 116 onder i. Het hof heeft deze feiten niet als op 26 maart 2010 (voldoende) vaststaand en/of draagkrachtig mogen aannemen, aldus de klacht.
g) is niet onbegrijpelijk. In CvA § 50 en 52 en MvA § 398, 400 en 415 wordt weliswaar niet expliciet gesteld dat [verweerder] op de peildatum naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] informeerde, maar dat het hof de stellingen zo heeft opgevat is mijns inziens niet onbegrijpelijk. In MvAnV § 455 onder ix (onderbouwd in voetnoot 191) en § 500 wordt wel expliciet gesteld dat [verweerder] ‘bij de levering’ respectievelijk ‘op 26 maart 2010’ heeft geïnformeerd naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] . Op dit punt faalt de klacht.
ifaalt de klacht eveneens, nu deze eraan voorbij ziet dat het hof niet heeft vastgesteld dat [verweerder] op de peildatum heeft
onderzochtof de viool als vermist of gestolen bekend stond.
ten eersteover het oordeel in rov. 4.5.10 dat [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [verweerder] op 26 maart 2010 bij [betrokkene 1] heeft geïnformeerd naar diens bevoegdheid en dat het antwoord daarop was dat hij eigenaar en rechthebbende was en dat er geen belemmering bestond voor de verkoop en levering. Die overweging is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de ‘betwistingslast’ of is onbegrijpelijk in het licht van [eiseres] betwistingen ten aanzien van het moment van navragen, aldus de klacht, onder verwijzing naar CvR
§ 41.
verdernog afzonderlijk bedoelt te klagen dat onbegrijpelijk is dat het hof is voorbijgegaan aan stellingen van [eiseres] die erop neer komen dat [verweerder] ’ stellingen ongeloofwaardig zijn dat hij de viool op 26 maart 2010 onherroepelijk heeft gekocht, stuit deze klacht af op het gegeven dat in het verwijzingsgeding reeds vaststond dat op 26 maart 2010 een geldige titel tot stand is gekomen. Ik verwijs naar alinea 2.5.2 hiervoor.
tot slotnog lijkt te worden geklaagd, niet onbegrijpelijk dat het hof is voorbijgaan aan de stelling van [eiseres] over ongeloofwaardigheid van [verweerder] ’ stelling dat hij zonder enige concrete informatie ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] eigenaar van de viool was. De stellingen van [verweerder] strekten immers tot betoog dat hij, gelet op de in rov. 4.5.7 genoemde omstandigheden, ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] eigenaar was.
€ 8.000.000,- in handen kreeg. Dit betoog kan leiden tot het oordeel dat [verweerder] op 26 maart 2010 niet te goeder trouw was, aldus de klacht.
De transactie’) en verder geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de overeengekomen koopprijs niet reëel zou zijn althans aanleiding zou moeten zijn voor twijfel omtrent de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] (onder ‘
De koopprijs’). Daarbij heeft het hof enerzijds betekenis toegekend aan de prijs waarvoor [eiseres] de viool zelf heeft gekocht en vervolgens te koop heeft aangeboden, en anderzijds de relevantie van het appraisal van [betrokkene 1] verworpen.
voorafgaandaan de levering
geenonderzoek heeft gedaan naar de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] . Die lezing is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in het middel aangegeven stellingen die, anders dan het middel suggereert, niet (duidelijk) ingaan op de eventuele betekenis van na de peildatum voorgevallen feiten voor het al of niet bestaan van goede trouw op die peildatum. Het hof heeft de (wel) door hem in rov. 4.5.9 onder k ontwaarde stelling in rov. 4.5.10 verworpen.
De consignatieovereenkomst"heeft het hof, door te beoordelen of ( [eiseres] heeft gesteld dat) [verweerder] wist of moest begrijpen dat de viool in consignatie was gegeven aan [betrokkene 1] , miskend dat [eiseres] heeft gesteld dat [verweerder] wist dat [betrokkene 1] als directeur van zijn vennootschappen zich gemakkelijk tot kostbare instrumenten toegang kon verschaffen, [21] en dat de enkele gebruikelijkheid van consignatie in dit licht kan afdoen aan [verweerder] ' goede trouw, zodat het hof dit (kenbaar) bij de beoordeling ter zake had moeten betrekken.”
De consignatieovereenkomst’ ligt een verwerping van de in dit subonderdeel bedoelde stellingen besloten.
gevolgheeft gehad dat [betrokkene 1] de viool op eigen naam moest verkopen, dat aan derden(verkrijgers) niet kenbaar zou worden gemaakt dat de viool ten tijde van de verkoop niet aan [betrokkene 1] , maar aan [eiseres] en [betrokkene 2] toebehoorde, en dat [betrokkene 1] dienovereenkomstig op de hem door [verweerder] gestelde vraag heeft geantwoord dat er geen belemmering bestond voor de overdracht, hetgeen naar het oordeel van het hof tot gevolg heeft dat [verweerder] zijn aldus ontstane onwetendheid niet kan worden tegengeworpen. Dat lijkt mij niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, nog daargelaten dat het wegdenken van de gewraakte overweging niet leidt tot bewijs van het ontbreken van goede trouw bij [verweerder] , zodat de klacht ook belang ontbeert.
§ 53-54) heeft [eiseres] de gestelde rechtsverhouding met [B] GmbH aangevoerd ten betoge dat [betrokkene 1] niet beschikkingsbevoegd was. Zij heeft deze niet aangevoerd in het kader van de door het hof in rov. 4.5.10 behandelde vraag of [verweerder] te goeder trouw was. Bovendien zou de omstandigheid dat [B] GmbH moet worden aangemerkt als contractspartij bij de consignatieovereenkomst niet afdoen aan het stille karakter van die overeenkomst en de consequenties daarvan voor de goede trouw van [verweerder] .
subonderdeel 4.5dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd met het oordeel dat de onwetendheid van [verweerder] door toedoen van [eiseres] is ontstaan en dat [eiseres] die onwetendheid niet aan [verweerder] kan tegenwerpen. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiseres] heeft betwist dat sprake was van stille consignatie, dat [betrokkene 1] de viool op eigen naam moest verkopen en dat hij de identiteit van de eigenaar van de viool moest verbergen.
De consignatieovereenkomst’, slot
). Daarmee is het hof uitgegaan van te lichte eisen voor de aanwezigheid van goede trouw en heeft het miskend dat de vraag naar goede trouw moet worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, aldus de klacht.
De transactie’ in rov. 4.5.10 in het kader van de beoordeling van de goede trouw van [verweerder] . Het bestaat uit drie subonderdelen.
De transactie’ te overwegen dat daar genoemde omstandigheden ‘op zichzelf’ onvoldoende zijn om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat deze bij [verweerder] tot bedenkingen omtrent de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] hadden moeten leiden. Het hof zou hiermee hebben miskend (i) dat alle relevante omstandigheden van het geval in onderling verband in aanmerking genomen dienen te worden en (ii) dat voor het ontbreken van goede trouw niet vereist is dat ‘bedenkingen omtrent de beschikkingsbevoegdheid’ bestaan. Omstandigheden kunnen ook los van ‘bedenkingen’ afdoen aan goede trouw, aldus de klacht.
deze(concrete) verrekening – als door het hof op p. 9 onderaan met vermelding van de betrokken bedragen vastgesteld – niet zodanig ongebruikelijk is dat deze op het ontbreken van goede trouw wijst. Mede op die grond ontbreekt het bij verwijt (ii) aan feitelijke grondslag. Zoals al ter sprake kwam bij de bespreking van subonderdeel 3.5, heeft het hof het bedoelde betoog uiteindelijk integraal verworpen (zie hiervoor onder 2.54).
De certificaten’ bij de beoordeling van de goede trouw in rov. 4.5.10.
De certificaten’, eerste alinea).
eersteplaats dat het hof ook hier heeft miskend dat de vraag naar de goede trouw moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden in onderling verband.
tweedezou het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk hebben gemotiveerd, door aan het oordeel (louter) ten grondslag te leggen dat [verweerder] terecht had aangevoerd dat een certificaat van echtheid niets zegt over de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder, maar hooguit over de authenticiteit van de viool. Daartoe wordt het volgende aangevoerd: (i) [verweerder] heeft zelf gesteld dat voor hem aannemelijk was dat [betrokkene 1] de eigenaar van de viool was en bevoegd was daarover te beschikken, omdat [betrokkene 1] de originele certificaten van echtheid begin april 2010 aan hem heeft geleverd; [28] (ii) [verweerder] wist dat bij antieke instrumenten documentatie hoort die de echtheid en herkomst van het instrument kan bevestigen, zodat hij niet zonder enige documentatie te hebben verkregen als te goeder trouw kan worden aangemerkt; [29] en (iii) het hof is niet (kenbaar) ingegaan op [eiseres] betoog dat [verweerder] niet de kritische zin had die bij een gewone koper van een dergelijk object hoort, omdat hij pas na 26 maart 2010 naar certificaten heeft gevraagd en bovendien, na ontvangst van die stukken, ondanks de kennelijke valsheid van de certificaten, klakkeloos de transactie heeft doorgezet. [30]
De certificaten’, tweede alinea) was [verweerder] in het licht van de omstandigheden van het geval, waaronder (met name) de toen nog onberispelijke achtergrond van [betrokkene 1] als handelaar in dergelijke violen, niettemin te goeder trouw.
De certificaten’, tweede alinea, ligt verder onmiskenbaar een verwerping van het onder (iii) genoemde betoog van [eiseres] besloten.
subonderdeel 7.1heeft het hof ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat art. 3:86 lid 3 BW Pro alleen kan worden ingeroepen in geval van diefstal in strafrechtelijke zin. Het begrip ‘diefstal’ in art. 3:86 lid 3 BW Pro omvat volgens het subonderdeel ook gevallen die in strafrechtelijke zin als verduistering kwalificeren.
subonderdelen 7.2 tot en met 7.6klachten aangevoerd tegen het oordeel van het hof in rov. 4.6.2 dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld ter rechtvaardiging van de conclusie dat zij het bezit heeft verloren door diefstal.