Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:AB1698

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/273HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 96 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 253 lid 1 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 340 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken hoger beroep

In deze zaak heeft verweerster eiser gedagvaard voor het Kantongerecht te Lelystad met een vordering tot betaling van een geldbedrag, welke vordering door eiser is bestreden en beantwoord met een reconventionele vordering. De Kantonrechter heeft eiser veroordeeld tot betaling aan verweerster, terwijl de reconventionele vordering is afgewezen.

Eiser heeft tegen dit vonnis beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft echter vastgesteld dat eiser niet eerst hoger beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank, hetgeen volgens de toepasselijke wettelijke bepalingen een vereiste is voordat cassatie kan worden ingesteld.

Op grond van artikel 38 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie in verbinding met artikel 253 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 96 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, moet eiser daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft eiser tevens veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, waarbij de kosten aan de zijde van verweerster zijn begroot op een bedrag van ƒ 3.632,20.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van hoger beroep.

Uitspraak

18 mei 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/273HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.J. van Gijssel.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 5 februari 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Lelystad en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 1.897,50, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 1.650,-- vanaf 29 december 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Eiser] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling van ƒ 2.700,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 1999.
[Verweerster] heeft deze vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 30 juni 1999 in conventie [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 1.650,-- met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 1998 tot de dag der voldoening, en in reconventie de vordering afgewezen.
Het vonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Uit hetgeen hiervoor onder 1 werd overwogen blijkt dat het hier gaat om een zaak die op 5 februari 1999 bij de Kantonrechter aanhangig is gemaakt en dat daarbij in conventie en in reconventie geldvorderingen zijn ingesteld van ƒ 1.897,50 (conventie in totaal) en ƒ 2.700,70 (reconventie in totaal), tezamen derhalve een bedrag van ƒ 4.598,20 belopend.
Op grond van art. 38 RO Pro, zoals dit artikel sinds 1 januari 1999 luidt, in verbinding met art. 253 lid 1 Rv Pro., had [eiser] van het vonnis van de Kantonrechter bij de Rechtbank te Zwolle in hoger beroep kunnen komen. Dit brengt, gezien voorts art. 96 lid 1 RO Pro, mee dat [eiser] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard (zie overigens art. 340 Rv Pro.).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 18 mei 2001.