Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:850

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
18/00137
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:86 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verkrijging kostbare viool te goeder trouw volgens art. 3:86 BW

In deze zaak stond centraal of de bezitter van een kostbare viool als verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3:86 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Dit vervolg op het arrest van 23 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2984) betreft een geschil tussen eiseres en verweerder over de eigendom van de viool.

Eiseres stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2017, terwijl verweerder een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.

Hiermee werd het arrest van het gerechtshof bekrachtigd, waarmee de status van de bezitter als verkrijger te goeder trouw volgens de relevante wettelijke bepalingen werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/00137
Datum7 juni 2019
ARREST
In de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: [eiseres],
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: [verweerder],
advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in de zaak 15/03091, ECLI:NL:HR:2016:2984, van 23 december 2016;
b. het arrest in de zaak 200.213.143/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van
10 oktober 2017.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
7 juni 2019.