Conclusie
(bij vervroeging)
1.Feiten en procesverloop
grief 1) en tegen de vaststelling dat sprake is van een borgtochtovereenkomst (
grief 2). Volgens [eiser] is hoogstens sprake van een verbintenis tot het aangaan van een borgstelling; in ieder geval ontbreekt een door hem ondertekend geschrift, zoals art. 7:859 BW Pro vereist. Ook richt hij zich tegen de redenering van de rechtbank dat [betrokkene 1] op de hoogte was van de borgstelling (
grief 3) en over de door de rechtbank aangelegde maatstaf bij het oordeel dat het beroep op de vernietiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (
grief 4).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de rechtshandelingen waarvoor zekerheid werd verstrekt (…) het nakomen van aangegane verplichtingen voor het inlenen van personeel [betreffen]” – waarmee het zal hebben bedoeld dat de borgtochtovereenkomst van [eiser] ertoe strekte [betrokkene 2] zekerheid te verschaffen voor de betaling van haar openstaande nota’s wegens het inlenen van personeel in de periode 17 november 2014-5 maart 2015 – maar dat twee zinnen verderop in rov. 5.6 het hof het verschaffen van zekerheid voor “
het nakomen van aangegane verplichtingen voor het inlenen van personeel” blijkt gelijk te stellen met het verschaffen van zekerheid voor het “
inlenen van personeel en het daarvoor betalen”, waarna het in rov. 5.7 concludeert dat [eiser] zich borg heeft gesteld ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap. Die gelijkstelling deugt volgens het onderdeel niet.
borgstelling zelfvan art. 1:88 lid 5 BW Pro hoeft niet tot de normale uitoefening van het bedrijf te behoren om zonder toestemming van de echtgenoot te kunnen geschieden, zij moet alleen geschieden
ten behoeve vandie normale bedrijfsuitoefening. [5] Het lijkt daarom van belang te bezien wat het doel is van de
rechtshandeling waarvóórmen zich borg stelt. Gaat het om de borgstelling voor een af te sluiten krediet [6] , dan lijken mij doel en (beoogde) aanwending van het krediet [7] derhalve in beginsel cruciaal: dat moet worden aangetrokken ten behoeve van en om te worden gebruikt in de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap. [8]
ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap”) – dat in de parlementaire geschiedenis over het algemeen vrij ruim lijkt te zijn bedoeld [10] – in zekere zin restrictief uitgelegd. De omstandigheden waaronder de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, wordt aangegaan en vervolgens de zekerheid wordt verstrekt, spelen daarbij een (belangrijke) rol. In het arrest
[…] / […]overwoog de Hoge Raad (in rov. 3.4):
A-G], zoals die wordt weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 6 en 7 – men vergelijke in dit verband ook de memorie van toelichting bij art. 7:857 BW Pro, Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 444 en 445 – komt naar voren dat de wetgever in het kader van de in art. 1:88 geregelde Pro materie het beginsel van de gezinsbescherming belangrijk achtte en dat hij daarop weliswaar een uitzondering heeft gemaakt door lid 4 toe te voegen, doch daarbij met de woorden ‘mits zij geschiedt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van die vennootschap’ een wezenlijke beperking heeft beoogd. Klaarblijkelijk is bedoeld dat de toestemming van de andere echtgenoot alleen dan niet is vereist indien de rechtshandeling waarvoor de in art. 1:88 lid 1 onder Pro c bedoelde zekerheid wordt verstrekt
zelfbehoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht.”
rechtshandeling(waarvoor de zekerheid wordt verstrekt)
zélfmoet dus ook in de normale bedrijfsuitoefening zijn aangegaan. [11] Niet alleen doel en aanwending, maar ook aard en karakter van die rechtshandeling lijken daarbij van belang te zijn. Met andere woorden: een lening of krediet moet niet onder zulke omstandigheden zijn afgesloten dat ook het afsluiten van een dergelijke lening of krediet
zelfniet meer als ‘normaal’ of ‘gebruikelijk’ kan worden beschouwd,
los vandoel en aanwending ervan. Men houde hierbij de woorden in de conclusie (onder 9) van toenmalig A-G Hartkamp – die hier door de Hoge Raad werd gevolgd – voor ogen, dat het niet voor de hand ligt om het toenmalige art. 1:88 lid 4 BW Pro extensief te interpreteren en dat kennelijk is bedoeld “
dat dehandeling
zelf tot de normale, gebruikelijke bedrijfshandelingen behoort; niet voldoende is dat zij normale bedrijfshandelingen begunstigt, daarvoor noodzakelijke voorwaarden schept”. Hij geeft daarbij nog als voorbeelden:
een poging tot het vullen van een bodemloze put, maar om een wezenlijk en reëel bedrijfsbelang (van een levensvatbaar bedrijf?)”.
naar zijn aard en/of risico afwijkt van wat bij de uitoefening van het bedrijf van de voorliggende vennootschap gangbaar en gebruikelijk is. Op een rechtshandeling waarvan weliswaar niet kan worden gezegd dat het vreemd is dat deze door de vennootschap wordt verricht maar die toch niet valt binnen of niet verbonden is met wat voor die vennootschap de gangbare en gewone bedrijfsactiviteiten zijn, is derhalve de uitzondering van lid 5 van artikel 1:88 BW Pro niet van toepassing.
A-G)
Rabobank/ […]werd bij de beoordeling van de vraag of de geldlening zelf tot de normale, gebruikelijke bedrijfshandelingen behoorde, ook belang gehecht aan enkele omstandigheden die de borgstelling betroffen. Het ging ook hier niet om een gewone geldlening, waardoor de liquiditeiten van de vennootschap werden vergroot, maar om de omzetting van een bestaande rekening-courantschuld in een geldlening, waarvoor extra zekerheid werd bedongen. Hierbij had de borg dus in privé een op hem verhaalbare vordering aanvaard, waarvoor hij voordien niet aansprakelijk was, zonder dat daartegenover een prestatie stond die hem of de vennootschap een direct financieel voordeel opleverde. Deze borgstelling vormde voorts een absolute voorwaarde om de ‘
turn around’ van de vennootschap te bewerkstelligen, zonder welke het bedrijf naar het oordeel van de bank niet meer bancair financierbaar was. Het oordeel van het hof dat deze financiering niet tot de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap behoorde, werd door de Hoge Raad gesanctioneerd. Hieraan kon niet afdoen dat het krediet uitsluitend mocht worden aangewend voor de financiering van de bedrijfsuitoefening van de vennootschap. Uit dit arrest en het eerdere arrest
[…] / […]concludeerde Verdaas (in JOR 2005/233) dat een financieringsovereenkomst met een voor de financier (en bijgevolg voor de eventuele borg) bijzonder, verhoogd, kredietrisico een overeenkomst is die niet behoort tot de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap. [14]
[…] /INGcasseerde de Hoge Raad het oordeel van het hof, nu hij zonder nadere motivering onbegrijpelijk achtte hoe het hof tot het oordeel was gekomen dat het aangaan van een overbruggingskrediet behoorde tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het bedrijf plachten te worden verricht, in het licht van stellingen die erop neer komen dat – anders dan de bestaande kredietverlening (waaronder een door de bank beschikbaar gestelde seizoensfaciliteit) – het overbruggingskrediet ertoe strekte de onderneming in staat te stellen op zeer korte termijn extern kapitaal aan te trekken, terwijl zonder dit externe kapitaal de beëindiging van de kredietrelatie en het faillissement van de onderneming aanstaande waren. De omstandigheid dat het overeengekomen overbruggingskrediet mede ertoe strekte de onderneming in staat te stellen haar normale bedrijfsuitoefening nog gedurende die te overbruggen periode voort te zetten, ontnam aan deze rechtshandeling niet haar uitzonderlijke – met de acuut dreigende discontinuïteit van de onderneming samenhangende – karakter. Volgens de in deze zaak concluderende A-G Timmerman (conclusie onder 3.5) zal – hoewel zeer wel mogelijk is dat een persoonlijke borgstelling die verstrekt wordt in het kader van een wijziging van de financiering van een onderneming, plaatsvindt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap als bedoeld in art. 1:88 lid 5 BW Pro – een wijziging van de financiering bij een onderneming in financiële moeilijkheden in de regel niet zijn aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening. Dit geldt zijns inziens in elk geval indien er ook na aanpassing van de financiering nog aanzienlijke onzekerheid blijft bestaan over de financiële soliditeit van de onderneming. [15]
ten behoeve vande normale uitoefening van een bedrijf’ ten opzichte van de formulering in het arrest
[…] / […]waarin wordt gesproken van ‘
inde normale uitoefening van een bedrijf’, al gaat het in zijn jurisprudentie wel steeds om de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt (en niet om de verstrekking van zekerheid zelf zoals bedoeld in art. 1:88 lid Pro 5, en lid 1 sub c, BW). Daar lees ik overigens geen koerswijziging in. De verstrekking van zekerheid dient voor vrijstelling van het toestemmingsvereiste van lid 5 te geschieden
ten behoeve vande normale uitoefening van het bedrijf. Je zou kunnen zeggen dat de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt verstrekt dan
inde normale bedrijfsuitoefening moet zijn aangegaan. Daarbij kan worden opgemerkt dat het aangaan van bijvoorbeeld geldleningen en kredieten op zichzelf meestal natuurlijk eigenlijk niet de normale bedrijfsuitoefening van een onderneming vormt [19] (dat is wellicht de reden voor de wijziging in formulering); het idee is dan ook dat ook dergelijke geldleningen en kredieten op hun beurt weer moeten worden aangegaan
ten behoeve vande normale bedrijfsuitoefening en dus bedoeld moeten zijn om
inde normale bedrijfsuitoefening te worden gebruikt. In het arrest
[…] / […]lijkt met de terminologie ‘
inde uitoefening van een bedrijf’ overigens meer gedoeld te worden op het feit dat de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt verstrekt (en de verstrekking van zekerheid zelf) – heel kort gezegd – niet onder abnormale omstandigheden moet zijn verricht, en dus niet zozeer of de met die rechtshandeling verkregen financiering in de normale bedrijfsuitoefening zou of moest worden gebruikt (dat laatste werd in de arresten
Rabobank/ […]en
/INGdan ook niet voldoende geacht). Als het gaat om de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, komt het mij uiteindelijk misschien het beste voor om – in dit opzicht wellicht wat neutraler – te spreken van de vraag of de rechtshandeling zelf
behoort tot de normale uitoefeningvan het bedrijf. Dat is overigens ook de terminologie die het hof in de tweede volzin van rov. 5.6 gebruikt.
Die veroordelingis nooit vernietigd, en wordt dat ook niet met het eventuele (gedeeltelijk) ontvallen van het arrest in hoger beroep, maar is steeds in stand gebleven. Slechts de (op de te vernietigen rechtsoverwegingen van het hof voortbouwende)
bekrachtigingvan deze veroordeling in hoger beroep wordt door een eventuele vernietiging in cassatie geraakt.