ECLI:NL:HR:1979:AC6573
Hoge Raad
- Cassatie
- Minkenhof
- Drion
- Snijders
- Haardt
- De Groot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verschuldigdheid en omvang dwangsom bij beslagopheffing na betekening vonnis
In deze zaak stond centraal of de periode tussen de uitspraak van het vonnis en de betekening daarvan van invloed kan zijn op de verschuldigdheid en omvang van een dwangsom opgelegd voor het opheffen van een beslag. Tepea had beslag gelegd op onroerende goederen van verweerder en werd door vonnis bevolen dit beslag op te heffen onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000 per dag na betekening van het vonnis.
De Hoge Raad bevestigde dat de verplichting tot nakoming van het vonnis reeds bij de uitspraak ingaat, omdat vonnissen van rechtswege werken. De dwangsom wordt echter pas verbeurd indien na betekening niet aan het vonnis wordt voldaan. Het hof mocht daarom betrekken of Tepea al vóór betekening voldoende maatregelen had genomen om het beslag op te heffen.
Het hof stelde vast dat Tepea tussen uitspraak en betekening niets had ondernomen om de doorhaling van het beslag te bespoedigen en ook na betekening niet direct adequaat handelde. De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen van Tepea en bevestigde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd. De dwangsom werd beperkt tot de periode vanaf de betekening tot de feitelijke doorhaling.
De Hoge Raad veroordeelde Tepea in de proceskosten en verwierp het beroep in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de dwangsom verschuldigd is vanaf betekening, waarbij gedragingen vóór betekening meewegen bij de omvang van de dwangsom.