Conclusie
eerstemiddel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. Anders dan het hof heeft aangenomen, zo vat ik de toelichting samen, zou het hoger beroep tijdig zijn ingesteld. En de niet-ontvankelijkverklaring is ontoereikend gemotiveerd.
dat het hof het ervoor houdt, mede gelet op de door de raadsman bij schriftuur overgelegde stukken, dat de inleidende dagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt.’In de appelschriftuur, die zich bevindt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, betoogt de raadsman dat de op 16 juli 2013 aan de [a-straat 1] te Gouda uitgebrachte dagvaarding, anders dan de akte van uitreiking inhoudt, niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt, maar aan haar broer. Ter onderbouwing is een ‘attest van woonplaatshistoriek’ van 8 april 2016 bijgevoegd, inhoudende dat de verdachte vanaf 25 februari 2008 op verschillende adressen in België stond ingeschreven. Ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding zou dat geweest zijn aan de [b-straat 1] te Menen. Voorts heeft de raadsman bij de appelschriftuur een kopie van het paspoort van de verdachte aangeleverd waaruit zou volgen dat de handtekening daarop niet overeenkomt met die op de akte van uitreiking behorende bij de ‘in persoon uitgereikte’ dagvaarding. Een en ander verklaart waarom het hof het ervoor houdt dat de inleidende dagvaarding niet in persoon is uitgereikt. Die vaststelling van het hof wordt (uiteraard) niet bestreden, zodat daar in cassatie van moet worden uitgegaan.
NJ1970/33 was aan de verdachte een verstekmededeling betekend, inhoudend dat hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien weken met ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden, waarvan vier weken voorwaardelijk. In werkelijkheid was hij veroordeeld tot een rijontzegging van een jaar en zes maanden (en een gevangenisstraf van tien weken waarvan vier voorwaardelijk). Uw Raad was van oordeel dat deze betekening niet kon worden aangemerkt als een ‘omstandigheid, waaruit voortvloeit dat het vonnis den verdachte bekend is’ in de zin van het toenmalige art. 408 onder Pro b Sv. [3]
NJ2008/22, een zaak die in verschillende opzichten vergelijkbaar is met de onderhavige, was de verdachte, die de opgelegde werkstraf niet had uitgevoerd, aangehouden ter executie van de vervangende hechtenis. Zijn raadsman had de volgende dag, op 15 april 2005, een brief naar het openbaar ministerie gestuurd waarin werd gesproken over het parketnummer van de zaak alsmede de opgelegde straf. Hij verzocht daarin in het bezit gesteld te worden van het uitreikingsblad omdat de verdachte volhield ‘volstrekt onbekend te zijn met de kwestie’. Uiteindelijk had de raadsman, die de verzochte informatie op 3 mei 2005 ontving, pas op die dag hoger beroep ingesteld. A-G Knigge oordeelde dat het middel slaagde: ‘Tot de essentiële informatie waarover de verdachte moet beschikken wil hij zich een oordeel kunnen vormen over de wenselijkheid van het instellen van hoger beroep, hoort mijns inziens ook uitsluitsel over de vraag of het vonnis al dan niet onherroepelijk is’ (onder 16). Uw Raad verwierp het cassatieberoep. ’s Hofs oordeel dat de verdachte op 15 april 2005 over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, gaf volgens Uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
NJ2009/429 had de verdachte, die ten tijde van de veroordeling in eerste aanleg in het buitenland verbleef, ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij op enig moment in het jaar 2002 een krantenknipsel had ontvangen waarin informatie stond over de veroordeling in eerste aanleg. Daarin werd onder meer de gevangenisstraf vermeld die de rechtbank hem had opgelegd. Ook had de verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij naar aanleiding van het krantenknipsel op enig moment in 2002 contact had opgenomen met zijn raadsman, die hem desgevraagd de consequentie van de veroordeling had uitgelegd. ’s Hofs oordeel dat de verdachte op enig moment in het jaar 2002, na kennisneming van dat krantenknipsel en het daaropvolgende contact met zijn raadsman over de consequentie van de veroordeling, over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, gaf volgens Uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
NJ2009/429 (aansluitend bij wat het hof heeft vastgesteld) ook het contact met de raadsman, na kennisneming van het krantenknipsel.
NJ1998/482. In deze zaak, waarin de inleidende dagvaarding in persoon was uitgereikt, was de verdachte door de politierechter bij verstek veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk. Het hoger beroep werd niet binnen veertien dagen na het vonnis ingesteld. Namens de verdachte is in appel aangevoerd dat een medewerkster van de reclassering bij het parket van de officier van justitie voor hem heeft geïnformeerd naar de uitspraak. Daar zou haar zijn verteld dat hij ‘tot dienstverlening was veroordeeld’. Op grond daarvan besloot hij (aanvankelijk) te berusten in de uitspraak. Het hof had de verdachte desalniettemin niet-ontvankelijk verklaard: het risico van het achteraf onjuist blijken van de informatie zou op de verdachte rusten. Die beslissing hield in cassatie geen stand. Als de foutieve mededeling binnen de beroepstermijn zou zijn gedaan door een ambtenaar van het parket, dan had het hof de verdachte niet – zonder meer – niet-ontvankelijk behoren te verklaren in het hoger beroep. [6] Bij de vaststelling of van een ‘omstandigheid’ in de zin van art. 408, tweede lid, Sv sprake is, gaat het er niet om of een ambtenaar een fout heeft gemaakt, maar of de verdachte op de hoogte is gesteld ‘van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep’.
NJ2017/354 m.nt. Kooijmans had het hof vastgesteld dat een verbalisant getracht had de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter aan de verdachte uit te reiken. Maar dat was niet gelukt, omdat de verdachte weigerde het stuk in ontvangst te nemen. Daarna had de verbalisant de inhoud medegedeeld aan de verdachte. Gelet daarop getuigde ’s hofs oordeel dat zich een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg tevoren aan de verdachte bekend was (art. 408, eerste lid, sub c Sv) niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het ligt in de rede dat dit niet anders is bij een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak aan de verdachte bekend is (art. 408, tweede lid, Sv).
formlose Mitteilung’ door een ‘
Urkundsbeamte’ of een derde kan gelet op het tweede lid van paragraaf 35 StPO bij deze beslissingen geen sprake zijn. Voorts volgt uit paragraaf 35a (
Rechtsmittelbelehrung) dat de verdachte bij mondelinge mededeling van de rechterlijke beslissing of bij betekening van het vonnis wordt voorgelicht over een openstaand rechtsmiddel:
fresh determinationopleveren waar de verdachte in deze situatie in beginsel recht op heeft. [10] Uit rechtspraak van het Europees Hof inzake het aanwezigheidsrecht kan worden afgeleid dat ‘
to inform someone of a prosecution brought against him is a legal act of such importance that it must be carried out in accordance with procedural and substantive requirements capable of guaranteeing the effective exercise of the accused’s rights; vague and informal knowledge cannot suffice’. [11] Het ligt alleen al tegen deze achtergrond in de rede om eisen te stellen aan de informatie die na een verstekberechting waar de verdachte niet van afwist, meebrengt dat de appeltermijn gaat lopen.
Vague and informal knowledgeover de veroordeling bij verstek en ontoereikende informatie over het openstaande rechtsmiddel zouden er niet toe moeten kunnen leiden dat de mogelijkheid van een
fresh determinationwordt prijsgegeven.
sans indication des formalités à respecter pour former opposition’(rov. 20). Dat verzet werd als tardief ingesteld niet-ontvankelijk verklaard (rov. 32). Het EHRM stelde in zijn overwegingen onder meer vast:
‘La Cour constate toutefois que le requérant n'a pas été informé, lors de la signification de l'arrêt du 30 juin 1994, des formalités à respecter pour former opposition’(rov. 58). En kwam tot het oordeel dat art. 6, eerste lid, EVRM geschonden is: ‘
la Cour considère que le refus par la cour d'appel de Liège de rouvrir une procédure qui s'est déroulée par défaut en présence d'éléments montrant sans équivoque que l'accusé souhaitait faire valoir son droit de comparaître a privé le requérant du droit d'accès à un tribunal’(rov. 59). Deze uitspraak werd later bevestigd in EHRM 29 juni 2010, Hakimi v. België, appl. no 665/08. Daarin overweegt het EHRM:
‘Toutefois, indépendamment de toutes ces considérations, l'élément marquant en l'espèce est que la signification de l'arrêt au requérant ne portait pas mention du délai d'opposition’(rov. 36).
Eerste middel.
Rechtsmittelbelehrung’ moet worden ingelezen. De tekst van het artikellid en de uit Kamerstukken blijkende opvattingen van de wetgever wijzen in andere richting. In de rechtspraak van het EHRM zijn elementen aan te wijzen die erop duiden dat artikel 6 EVRM Pro (in sommige gevallen) eist dat informatie over het recht op een rechtsmiddel wordt verschaft voordat het recht op dat rechtsmiddel verloren kan gaan; met name beide uitspraken tegen België zijn daarbij van belang. Maar dat zijn geen uitspraken van de Grote Kamer en het zijn geen uitspraken waarin een verdragsschending door Nederland vastgesteld is. Denkbaar is dat de bijzondere omstandigheden van het geval een rol hebben gespeeld; beide verdachten zaten bijvoorbeeld vast toen hen de — ontoereikende — informatie werd verstrekt. In het Kaderbesluit tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces kan een aanwijzing worden gezien dat art. 408, tweede lid, Sv niet (meer) aansluit bij wat in Europa communis opinio is, maar het kaderbesluit dwingt evenmin tot het terzijde stellen van de eerdere opvattingen van de wetgever.
NJ2008/22. In die zaak was sprake van een verdachte waarvan de raadsman op de dag na zijn aanhouding ter executie van de vervangende hechtenis, en dus terwijl (naar achteraf bleek) de termijn voor het instellen van hoger beroep nog liep, informatie opvroeg die van belang was in verband met de onherroepelijkheid van het vonnis. [23] Dat Uw Raad aan die betrokkenheid van de raadsman waarde hechtte, kan worden afgeleid uit de overweging waarmee het cassatieberoep wordt verworpen. In ’s hofs oordeel lag besloten ‘dat de omstandigheid dat de raadsman, hoewel rekening diende te worden gehouden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was, ervoor heeft gekozen niet terstond hoger beroep in te stellen, maar de schriftelijk gevraagde nadere inlichtingen van het Openbaar Ministerie af te wachten, voor risico van de verdachte dient te komen’. En uit deze overweging volgt ook nog een tweede verschilpunt. Er diende rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was. Daarbij is van belang dat het hof had vastgesteld dat tussen de raadsman en het openbaar ministerie een briefwisseling is geweest ‘over de vraag of het vonnis onherroepelijk was’. In de onderhavige strafzaak is niet vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het telefoongesprek met de reclassering of kort nadien contact had met een raadsman. Het voert naar mijn mening te ver om gelet op inhoud en strekking van het telefoongesprek van deze verdachte te verwachten dat zij rekening hield met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was. Tegelijk kan uit het arrest van 11 december 2007 worden afgeleid, in dat opzicht ligt het wellicht meer in lijn met de conclusie van A-G Knigge dan op het eerste gezicht lijkt, dat Uw Raad er belang aan hecht of de verdachte (en zijn raadsman) rekening moest(en) houden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was, al eist Uw Raad niet dat daarover uitsluitsel aan de verdachte is gegeven voor de appeltermijn gaat lopen.
Op 31 maart 2016 werd [verdachte] aangehouden op grond van het zgn Europees Aanhoudingsbevel welke werd uitgevaardigd ter executie van het vonnis van de Politierechter van de Rechtsbank Den Haag van 22 augustus 2013.’Dat de verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, komt ook in de toelichting op het middel zijdelings aan de orde (zie hierna, onder 33). Mede in dat licht kan de vraag rijzen of het eerder genoemde artikel 4bis van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel, dat een weigeringsgrond met uitzonderingen bevat in het geval de veroordeling is gewezen na een verstekberechting, in casu mogelijk relevant was in verband met het bepalen van de appeltermijn.
niet(opnieuw of reeds) een termijn voor het instellen van hoger beroep doet aanvangen. [26]
tweedemiddel klaagt dat het hof er in het bestreden arrest ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de inleidende dagvaarding die men getracht heeft te betekenen aan de verdachte, nietig is. Het hof zou in strijd hebben gehandeld met zijn verplichting om de geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg te onderzoeken.
derdemiddel klaagt dat het hof in het proces-verbaal van 12 oktober 2016 niet goed en zelfs onjuist heeft weergegeven wat de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.