Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
12 januari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep van een verdachte centraal die door de rechtbank was veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. De verdachte had zijn raadsman verzocht om hoger beroep in te stellen en kreeg de bevestiging dat dit was gedaan. Later bleek echter dat de raadsman dit verzuimd had, waardoor het hoger beroep te laat werd ingesteld.
De verdachte stelde dat hij op grond van de mededelingen van zijn raadsman gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het instellen van hoger beroep en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakten. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk omdat de termijn voor hoger beroep was overschreden en het verzuim van de raadsman niet als bijzondere omstandigheid werd aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en benadrukte dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn. De verdachte draagt het risico dat zijn raadsman het hoger beroep niet tijdig instelt, zeker wanneer de verdachte zijn wens niet zelf aan de griffie kenbaar maakt. Ook de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt niet tot een ander oordeel.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn door het verzuim van zijn raadsman.
Uitkomst: De verdachte is niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn door verzuim van zijn raadsman.