Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Maclou-arrest [5] toegepast (rov. 4.6.) en vooropgesteld i) dat ervan uit kan worden gegaan dat de door de curator erkende boedelvordering van [verweerder] voor de huurpenningen niet uit het gerealiseerde en nog te realiseren boedelactief zal kunnen worden voldaan (rov. 4.7.) en ii) dat de door de curator met [B] gesloten overeenkomst jegens [verweerder] niet kwalificeert als een doorstartovereenkomst (rov. 4.8.). Verder heeft de kantonrechter onder meer in aanmerking genomen dat de curator wist dat [verweerder] zich verzette tegen het ter beschikking stellen van het gehuurde aan een derde zonder zijn toestemming (rov. 4.9.). De kantonrechter is tot de slotsom gekomen dat de curator pro se onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] (rov. 4.6. en 4.12.). Hij overweegt:
NJ2012/515 (
Prakke q.q./Gips), A-G] overwogen dat de faillissementscurator wegens een onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk kan zijn jegens degenen in wier belang hij de taak uitoefent, te weten de (gezamenlijke) schuldeisers, en jegens derden met de belangen van wie hij bij de uitoefening van die taak rekening heeft te houden, zoals de gefailleerde. Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. Bij de vraag of de curator bij de uitvoering van zijn taak deze vrijheid heeft overtreden moet de rechter beoordelen of, uitgaande van die vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past de rechter terughoudendheid. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen [en voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen] [8] en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms wat tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt.”
4.De slotsom
3.Bespreking van de cassatieklachten
Koot Beheer/Tideman q.q.”
Berzonais onder meer overwogen dat het uitspreken van het faillissement niet tot gevolg heeft dat de curator een bevoegdheid of vordering toekomt die de wet of de overeenkomst hem niet toekent. Het arrest
Berzonaheeft naar de mening van mr. De Klerk c.s. echter geen betrekking op verbintenissen die de schuldenaar verplichten tot een niet-doen, zoals hier het verbod van onderverhuur (randnummers 3. en 4. van de procesinleiding). In dat geval geldt de hoofdregel uit het arrest
Koot/Tideman q.q.dat een verifieerbare vordering ontstaat indien de curator verplichtingen niet nakomt die door de schuldenaar voor de datum van het faillissement zijn aangegaan (randnummer 5. van de procesinleiding). Er is dan ook geen sprake van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis (randnummer 6. van de procesinleiding). De geschonden verplichting ziet op een overeenkomst van vóór de faillissementsdatum die niet wordt nagekomen (randnummer 7. van de procesinleiding). De aan de curator verweten gedraging en de daarop geënte schadevergoedingsvordering is dus geen boedelschuld, maar valt onder het bereik van art. 37a Fw (randnummer 8. van de procesinleiding).
Nebula [10] oordeelde Uw Raad in rov. 3.5 echter dat dit niet betekent dat een schuldeiser jegens zijn failliete wederpartij de rechten uit duurovereenkomsten kan blijven uitoefenen alsof er geen faillissement was.
Berzona [14] heeft Uw Raad de rechtsregel uit het arrest
Nebulaverduidelijkt. [15] Uw Raad stelde in rov. 3.6.2 van het arrest
Berzonawederom voorop dat het faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten en dan ook niet leidt tot wijziging van de daaruit voortvloeiende verbintenissen. De curator heeft echter, zo vervolgde Uw Raad, zoals blijkt uit art. 37 lid 1 Fw Pro, in beginsel de mogelijkheid om overeenkomsten niet gestand te doen en dus de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet na te komen. In rov. 3.6.3 overwoog Uw Raad vervolgens dat de aan de curator ten dienste staande mogelijkheid om uit overeenkomst voortvloeiende verbintenissen (‘passief’) niet na te komen, verbintenissen betreft die uit of ten laste van de boedel moeten worden voldaan. Uw Raad overwoog verder in rov. 3.6.4 dat het uitspreken van het faillissement niet tot gevolg heeft dat de curator ook (‘actief’) een bevoegdheid of vordering toekomt die de wet of de overeenkomst hem niet toekent. Dit zou immers in strijd komen met het beginsel dat het faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten, dat bij de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW is bevestigd.
Berzonaworden voorbeelden genoemd van passieve en actieve niet-nakoming door de curator. Bij passief niet nakomen kan onder meer worden gedacht aan verbintenissen tot betaling, tot afgifte van een zaak of tot vestiging van een recht. Onder actief niet nakomen valt bijvoorbeeld het door de curator als verhuurder ontruimen of opeisen van het gehuurde wanneer de huurovereenkomst nog loopt.
Berzonais de vraag gerezen of de curator ook een verplichting van de schuldenaar (jegens een schuldeiser) tot een
niet-doenoftewel
nalaten,dient te respecteren. [16] In de prejudiciële beslissing van 23 maart 2018 in de zaak
Credit Suisse Brazil/ [...] q.q. [17] heeft Uw Raad die vraag beantwoord. Uw Raad heeft (onder verwijzing naar het arrest
Berzona) overwogen dat een curator niet de bevoegdheid heeft om een voortdurende prestatie die bestaat uit een dulden of nalaten te beëindigen. Uw Raad overwoog in dit verband als volgt:
NJ1988/340 en Van der Feltz II, p. 126). Het fixatiebeginsel vindt zijn uitdrukking onder meer in art. 24 Fw Pro, waarin is bepaald dat de boedel niet aansprakelijk is voor verbintenissen van de schuldenaar die na faillietverklaring ontstaan, tenzij de boedel ten gevolge daarvan is gebaat.
NJ2014/407 (
Berzona), rov. 3.6.4).”
Credit Suisse Brazil/ [...] q.q.). Vervolgens is de vraag wat dit betekent voor de kwalificatie van een hierop gegronde vordering tot betaling van schadevergoeding in het faillissement. Hier komt het arrest
Koot/Tideman q.q.in beeld.
Koot/Tideman q.q. [18] oordeelde Uw Raad dat schulden die een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting, als boedelschuld kwalificeren. Uw Raad overwoog:
hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting[cursivering A-G]
.Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en Pro 35 BW).
Koot/Tideman q.q.).
onderdeel Ivergeefs is voorgesteld.
onderdeel IIis onjuist of onbegrijpelijk dat het hof enerzijds in rov. 3.10 heeft vastgesteld dat de curator gebonden is aan regels (en dus weinig tot geen vrijheid had) en anderzijds in rov. 3.11 heeft overwogen dat het handelen van de curator dermate onzorgvuldig en zo ongebruikelijk is dat de curator het onjuiste van dit handelen moet hebben ingezien, althans redelijkerwijze behoorde in te zien, zodat de curator een persoonlijk verwijt van dit onzorgvuldig handelen kan worden gemaakt (randnummers 9.-11. en 13. van de procesinleiding). Bij toepassing van regels komt de curator geen beleidsvrijheid toe en daarom zou er in een zodanig geval ook geen sprake kunnen zijn van een bepaalde mate van onzorgvuldigheid of ongebruikelijkheid (randnummer 12. van de procesinleiding).
Prakke q.q./Gips [20] heeft Uw Raad onderscheid gemaakt tussen twee situaties. In de ene situatie is de curator gebonden aan regels en in de andere situatie is de curator dat niet. In het laatste geval komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe en is bij de toepassing van de Maclou-norm terughoudendheid geboden (randnummer 15. van de procesinleiding). De regels (als bedoeld in het arrest
Prakke q.q./Gips) hebben gemeen dat zij zien op de situatie na faillissement en dus zijn gericht op het handelen van de curator q.q. In de rechtspraak worden onder meer als regels genoemd het handelen in strijd met de instructie van een rechter-commissaris en het handelen in strijd met de rechten van separatisten. Uit de inhoud van een tussen de boedel en derden geldende overeenkomst vloeien echter voor de curator geen regels voort (randnummers 17.-19. van de procesinleiding). Voor de pro se aansprakelijkheid is volgens het onderdeel een parallel te trekken met bestuurdersaansprakelijkheid, waarvoor is vereist dat de bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In het kader van bestuurdersaansprakelijkheid zou gelden dat indien een vennootschap een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat primair de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden zou evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor een secundaire aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap (randnummer 21. van de procesinleiding). In de onderhavige zaak ziet de volgens het hof geschonden regel op de verplichtingen die voortvloeien uit een voor de failliet geldende huurovereenkomst en niet op een voor de curator q.q. voorgeschreven regel (randnummer 22. van de procesinleiding). De wederkerige (huur)overeenkomst kwalificeert niet als regel als bedoeld in het arrest
Prakke q.q./Gips(randnummer 23. van de procesinleiding).
Maclou [21] de regel formuleerde dat een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht (de zogenaamde Maclou-norm). In het arrest
Prakke q.q./Gips [22] maakte Uw Raad in dat verband onderscheid tussen twee situaties. De eerste situatie is het geval dat de curator gebonden is aan regels. Het ligt voor de hand dat de curator die regels moet respecteren en nakomen. [23] De tweede situatie is het geval dat de curator niet aan regels gebonden is. Het is dan in beginsel aan het inzicht van de curator overgelaten op welke wijze hij het beste rekening kan houden met het belang van de boedel en met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen. Dit geldt ook voor de wijze waarop hij deze uiteenlopende en soms tegengestelde belangen tegen elkaar afweegt. [24] In die situatie zal persoonlijke aansprakelijkheid van de curator niet snel aan de orde zijn. Uw Raad overwoog: [25]
Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe[cursivering A-G]. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt. Bij het te gelde maken van het actief van de boedel, waarop de verwijten zien die Gips de Curator in deze zaak maakt, komt de faillissementscurator de hier bedoelde vrijheid toe.
Prakke q.q./Gips, waaraan de curator gebonden is.
Prakke q.q./Gips, A-G) heeft overtreden. Bij dat oordeel plaats ik vraagtekens. In concreto gaat het om de vraag welke ‘regel’ de curator heeft overtreden. Volgens het hof zijn dat ‘de rechten van de verhuurder als verhuurder en eigenaar’. Een inbreuk op een recht betekent nog niet een overtreding van een dergelijke regel. Het door de Hoge Raad in het arrest Prakke/Gips gekozen begrip ‘regels’ drukt uit dat het niet alleen om wetsbepalingen gaat maar ook om andersoortige regels kan gaan.
curator pro se. Een curator kan wegens onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk zijn jegens derden, zoals een verhuurder. Het criterium dat van toepassing is, hangt af van de vraag of de curator bij de uitoefening van zijn taak gebonden is aan regels. Is geen sprake van dergelijke regels, dan komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer en die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen, tegen elkaar afweegt. Aansprakelijkheid van de
curator pro semoet – als de curator die vrijheid toekomt – worden beoordeeld aan de hand van de Maclou-norm: een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, zie HR 19 april 1996, JOR 1996/48, m.nt. SCJJK (Maclou) [NJ 1996/727, A-G]. Bij deze toetsing past terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien, zie HR 16 december 2011, JOR 2012/65, m.nt. Spinath (Prakke/Gips) [NJ 2012/515, A-G]. Als de curator wel is gebonden aan dergelijke regels, dan geldt deze hoge aansprakelijkheidsdrempel echter niet. Overtreding van een regel levert dan direct een normschending op. Tot aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW Pro van de
curator pro sehoeft dat echter niet altijd te leiden, omdat daarvoor ook aan de overige vereisten (schade, causaal verband, toerekenbaarheid en relativiteit) moet zijn voldaan.
curator pro seneemt het hof mijns inziens de verkeerde afslag. Het hof neemt immers aan dat de curator gebonden zou zijn geweest aan regels en daardoor geen beleidsvrijheid zou hebben gehad. Volgens het hof (r.o. 3.10) is de curator gebonden “
aan de rechten van de verhuurder als verhuurder en eigenaar, die hij moet respecteren en nakomen.” Hier worden mijns inziens verplichtingen van de gefailleerde te gemakkelijk verheven tot verplichtingen van nota bene de
curator pro se.”
Prakke q.q./Gips, bij overtreding van contractuele bepalingen wel geïndiceerd is. [29]
Prakke q.q./Gipsgenoemde ruime mate van vrijheid had om een (belangen)afweging te maken (randnummer 3.18 van deze conclusie). Ik licht dat toe als volgt. Het vertrekpunt is inderdaad dat contractuele verplichtingen van de gefailleerde niet in algemene zin verplichtingen voor de curator opleveren en dat schending van contractuele verplichtingen van de gefailleerde om die reden op zichzelf ook niet leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de curator. Het is de curator immers toegestaan om uit overeenkomst voortvloeiende verbintenissen, die uit of ten laste van de boedel moeten worden voldaan, (‘passief’) niet na te komen (randnummer 3.6 van deze conclusie). In het hier voorliggende geval is echter sprake van een voortdurende verplichting tot nalaten (hier: het verbod van onderverhuur). Blijkens de beslissing in de zaak
Credit Suisse Brazil/ [...] q.q.geeft het faillissement de curator niet de bevoegdheid om een voortdurende prestatie, bestaande uit een nalaten (hier: een verbod van onderverhuur), te beëindigen. Deze regel richt zich tot de curator q.q. (hiervoor randnummer 3.8 van deze conclusie). Het gaat hier dus niet (uitsluitend) om een schending van een contractuele verplichting van de gefailleerde maar om overtreding door de curator van een tot de curator q.q. gerichte rechtsregel inhoudende dat hij een voortdurende prestatie tot nalaten niet mag beëindigen. Bij de kritiek van Van Geel en Bosvelt dient te worden bedacht dat deze dateert van vóór de beslissing in de zaak
Credit Suisse Brazil/ [...] q.q.Het hof heeft gezien het vorenstaande terecht geoordeeld dat de curator gebonden was aan een regel.
‘De overweging van het hof dat het gebruik door koper van het gehuurde tijdens de boedelperiode ‘zo ongebruikelijk [lees: is]’ is mijns inziens een miskenning van de werkelijkheid, in het bijzonder van die van de kleine faillissementen. Dit is immers juist de gebruikelijke manier om – als een doorstart geen optie is – het gehuurde – kostenefficiënt te doen ontruimen en tijdig aan verhuurder ter beschikking te stellen. Ik zie op basis hiervan dan ook geen aanleiding om de curator een persoonlijk verwijt te maken.’ [34] Ik deel die kritiek niet. De persoonlijke aansprakelijkheid van de curator in deze zaak is als zodanig niet gegrond op het gebruik van het gehuurde door [B] als koper van de aanwezige activa, maar op het gegeven dat de curator – zonder overleg, toestemming of waarborg – heeft gehandeld in strijd met het contractuele verbod van onderverhuur en daarmee in strijd met de tot haar q.q. gerichte regel dat een voortdurende prestatie tot nalaten niet mag worden beëindigd.
onderdelen II en IIIfalen. De curator is niet bevoegd om een voortdurende prestatie, bestaande uit een nalaten (hier: een verbod van onderverhuur), te beëindigen. Anders dan onderdeel III verdedigt, had de curator dus geen ruime beleidsvrijheid. Voorts heeft het hof – anders dan onderdeel II stelt – niet tegelijk zowel het toetsingskader dat geldt bij toepasselijkheid van een regel als het toetsingskader dat geldt bij beleidsvrijheid aangewend. Het hof heeft aangenomen dat de curator gebonden was aan een regel en onderzocht of de overtreding daarvan in de gegeven omstandigheden tot persoonlijke aansprakelijkheid leidt.
voorzienbaarzou zijn. Aan het voorzienbaarheidsvereiste in het kader van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is namelijk voldaan wanneer de laedens bekend is met de in concreto dreigende verwezenlijking van een bepaald gevaar. [36] Mr. De Klerk c.s. hebben niet gesteld dat zij onbekend waren met het in concreto dreigende risico dat de concurrente boedelvordering van [verweerder] niet uit het boedelactief voldaan zou kunnen worden. Dit risico zal in de meeste faillissementssituaties overigens een gegeven zijn. Bij die stand van zaken behoefde het hof de voorzienbaarheid van de schade niet nader in zijn oordeel te betrekken.
onderdeel VIvergeefs voorgesteld.
De Ranitz q.q./ Ontvanger. [38]
onderdeel VIIniet slaagt.