Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.2gelet op de stellingen van de curator onbegrijpelijk. Het onderdeel voert in dat verband aan dat de curator heeft aangevoerd dat het hof bij arrest van 15 september 2015, derhalve na het thans in cassatie bestreden arrest, in een procedure tussen de Provincie en de echtgenote van de voormalig bestuurder en crediteur van [B] , [betrokkene 1] , heeft beslist dat de tegenvordering van de Provincie van € 27.535,45 kon worden verrekend (en vervolgens ook daadwerkelijk is verrekend) en de Provincie vervolgens heeft veroordeeld tot betaling van een resterend bedrag aan [B] . [8] Deze omstandigheid brengt volgens het onderdeel in beginsel mee dat de restantvordering niet meer bestaat, nu deze door verrekening (op grond van een arrest van hetzelfde hof in een zaak waarin de Provincie partij was en dezelfde restantvordering aan de orde was) teniet is gegaan, waarmee van verarming van de Provincie geen sprake meer kan zijn. Gelet daarop valt, aldus nog steeds het onderdeel, niet (zonder meer) in te zien waarop sprake zou zijn van een tardief verweer en niet van een nieuwe feitelijke omstandigheid.
onderdeel 1.3miskend dat de curator de hiervoor genoemde stelling niet eerder kon aanvoeren, nu het tenietgaan van de betreffende vordering door verrekening een direct gevolg is van het arrest van het hof van 15 september 2015. Ook daarom is volgens het onderdeel de beslissing van het hof dat niet valt in te zien dat de curator dat verweer niet eerder had kunnen aanvoeren, gelet op de in onderdeel 1.2 genoemde stellingen van de curator zonder nadere motivering onbegrijpelijk.