Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in feitelijke instanties en in cassatie
2.Het geding na verwijzing
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling na verwijzing
Met betrekking tot het door de Provincie gedane beroep op verrekening heeft het hof bij zijn eerste tussenarrest geoordeeld dat de Provincie dat beroep jegens [appellante] toekomt op grond van art. 6:130 lid 2 BW Pro (rov. 17). Het heeft de Provincie in de gelegenheid gesteld om het vonnis over te leggen dat ter zake van de afwikkeling van de turnkey-aannemingsovereenkomst is gewezen in de arbitrage tussen haar en de curator in het faillissement van [gefailleerde] . In zijn eindarrest heeft het hof aan de hand van dat vonnis vastgesteld dat de arbitrage slechts zag op vorderingen van de curator op de Provincie en dat de Provincie geen reconventionele vordering heeft ingesteld (rov. 2). Hierop heeft het hof geoordeeld dat [appellante] tijdig in deze procedure een beroep heeft gedaan op het feit dat in de turnkey-aannemingsovereenkomst arbitrage is overeengekomen ten aanzien van de vordering die de Provincie in verrekening wil brengen (rov. 3). Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat ter zake van die vordering inderdaad in de turnkey-aannemingsovereenkomst arbitrage is overeengekomen, dat die vordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, dat het hof daarom de gegrondheid van het beroep niet kan beoordelen en dat dit beroep daarom moet worden gepasseerd (rov. 4).”
Geclaimde bankgarantie (..) Fortis Bank Nederland inzake [zusterbedrijf gefailleerde] B.V.” Dit bedrag is door de Provincie is betaald ter voorkoming van uitwinning van de door haar aan Fortis Bank gestelde bankgarantie van de Friesland Bank (omdat [zusterbedrijf gefailleerde] haar vordering aan Fortis Bank niet had terugbetaald).
Dit brengt mee dat ter beoordeling staat in hoeverre de provincie gehouden is deze vorderingen te voldoen”. Tegen dit oordeel is in cassatie niet opgekomen.
onderschrijdt”) en de curator heeft van de Provincie niets meer te vorderen. De vordering van de curator is afgewezen met veroordeling van de curator in de kosten van de arbitrale procedure.
ad in totaal € 68.551,01 respectievelijk € 257.584,31” die “
wel degelijk bestaan” en ook in de verrekening moeten worden betrokken.
het bestaan van de tegenvordering van de Provincie afhankelijk is van de beslissing in de arbitrageprocedure”. Naar het oordeel van dit hof blijkt uit dat arbitrale vonnis van het bestaan van een tegenvordering van de Provincie van € 339.429,30 minus
onderschrijdt”), deze tegenvordering niet in de verrekening mag worden betrokken. Dit is naar het oordeel van het hof onjuist. Het bestaan van een tegenvordering tot dit bedrag blijkt - behoudens door [appellante] te stellen (doch niet gestelde) feiten die wijzen op het tegendeel - uit het arbitrale vonnis, en dus kan die tegenvordering in de onderhavige procedure worden verrekend. Het was niet nodig dat de Provincie daarvoor in de arbitrale procedure een tegeneis instelde.
onderschrijdt”. Het hof dient evenwel uit te gaan van de juistheid van het arbitrale vonnis nu gesteld noch gebleken is dat tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld (zie art. 1059 Rv Pro).